E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

DE ZUSTERS

[Hoofdstuk 1]

II.

Indien er iemand ter wereld was, die benind werd, dan mogt Ovens het heeten; – spijt al het schimpen onzer provincialiaten op geld en geldzakken, zouden zij het hem zoo goed hebben gedaan, als de Amsterdammers het deden. Het goud is de god onzer eeuw, op het land als in de stad, en in de hut als aan het hof, – schoon. ik toegeve, dat Ovens er als zeehandelaar meer het gewigt van gevoelde, dan als grondeigenaar het geval zou geweest zijn. De beurs blijft de ware schaal, als ge weten wilt wat ge weegt. Zonder dat men er ooit „stap maar op!” roept, wijst de evenaar der publieke opinie u telken dag aan, of ge daalt, of ge rijst. De deftigheid; waarmede Ovens hare houten deuren iedere middag binnenschreed, getuigde van de gerustheid, waarmede hij zich aan den toets onderwierp; was inderdaad de zuilen waardig, die alreeds zoo smadelijk op de noodloods nederzien. Welk een uur bragt hij dagelijks in deze door! Ik spreek niet van het onwillekeurig ter zijde wijken, als hij naderde, van wie zijns gelijken heetten, en die echter eene heimelijke bewustheid hadden, dat zij het niet waren. Voor eenen man van fijnere opmerking mogt dit de vleijendste hulde zijn geweest, hij scheen haar slechts aan het bekende vervaarlijke gezigt toe te schrijven, dat hij te zetten plagt, dat zich door geene verontschuldging verbidden liet, als iemand hem op zijne teenen, op zijne likdoorns trapte. Ik spreek ook niet van den eerbiedigen groet, weIke hem alom bejegende; hij was reeds gewoon geworden dien te ontvangen, en hem zeven malen van de acht, maar knikkende, terug te geven, als had geen toupet van tulle chevelu zijne kale kruin voor den invloed van wind en weder beschermd. Ik spreek van de drieerlei soort van makelaars, die er op zijne wenken vlogen: goederenmakelaars, wisselmakelaars, effectenmakelaars, wier onderdanigheid hem ieder oogenblik herinnerde, welk een’ invloed hij op de drie hoofdtakken des handels uitoefenen mogt. Hij had schepen in zee, koffen, brikken en driemasters, die uit de havens van noordelijk en zuidelijk Europa, uit West en Oost, beladen huiswaarts stevenden; met andere woorden, de regelinq der prijscouranten van granen en kolonialen stond, voor menig artikel, ook aan hem. Zijne naamteekening: „Ovens & Zoon” werd aan iedere beurs geëerbiedigd, en wee het jonge huis, welks papier hij geweigerd had, met een kortaf: „dat neem ik niet!” het geraakte er door in dezelfde verlegenheid, waarin de Londensche Rothschild zijne Duitsche landgenooten brengt, als hij den een’ of anderen hunner „de zes weken” geeft. Wij had fondsen van allerlei Staten in zijne patentbrandkast, en de vlugge ijlboden uit den hoek bragten niemand de mare van den dag eerder dan hem; – als hij eene operatie deed, dan zette hij door. Doch laat ons den man niet enkel in zijn vermogen in zijne verwatenheid schetsen; laat ons ook zijner verdienste regt doen. Om als zeehandelaar te slagen, wordt meer vereischt, dan schrijven en rekenen te hebben geleerd en fonds te bezitten. Ovens paarde aan algemeene handelskennis, – geene kleinigheid, geleerde! – het oordeel behoeften te vermoeden, te voorzien; – wanneer hij die te gelegener tijd vervulde, dan zeiden zijne vrienden, de couponnenknippers: – „de gelukkige!” – Wissels te negotieren, papier te geven en te nemen, terwijl „het joelend kroost van Abraham” u te lijf vliegt; terwijl het, in zijne oostersche levendigheid, u de panden van den rok dreigt te scheuren; terwijl het u door de heftigheid zijner gebaren onwillekeurig vervaart, maar zich vaster aan u klemt, maar u om de middel grijpt, als ge afdeinst; terwijl een paar! (ach! welke) adems, zich uwe ooren betwisten, en ge aan beide tegelijk fluisteren hoort, tot verdoovens toe: dat papier koopen of verkoopen ter beurze gaat niet zonder een vast en vlug hoofd, betgeen te ieder oogenblik waarheid van logen weet te schiften; hetgeen onder al dat gewoel, gedruk, gerel en gelawaai, zonder hulp van potlood en papier, dagen kan tellen en breuken deelen! Als Ovens nooit onder den koers gaf, nooit boven den koers nam, als hij bewaard bleef voor de onaangename verrassing van eenen post met protesten, dan heette hij toch maar „de gelukkige!” Er werd veel van vaderlandsliefde gesproken, in het tijdvak der leeningen; na de Belgische omwenteling, – zoo veel, zoo lang, zoo dwaas, dat men thans naauwelijks beweren durft, hoe het ons volk tot roem verstrekt, onlangs de eerste schadelijke te hebben volgeschreven, – terwijl de gedwongen heffing er zich dreigende achter verhief, – als waren in de roemrijkste tijdperken onzer geschiedenis, de offers niet gebragt uit pligtsbesef, niet gebragt, om erger ellende voorkomen, als had men ooit uit geestdrift, ooit zonder zuchten, goed en bloed veil gegeven! Om tot Ovens terug te keren hij verhief zich niet op het aandeel, dat hij, geldschietende, aan de volharding nam. Alle kansen wikkende en wegende, b. v. de bekwaamheid van het toenmalig bestuur, – voor zijn stelsel; de hulpbronnen van den staat, – al vloeiden zij niet overhelder; de eerlijkheid onzes volks, – die ons gered heeft, bij verlevendiging van burgerzin, ierder redden zal, – die alle wegende, aarzelde hij niet, geheel in zijnen tijd te huis, en van ieder voorval vroeg verwittigd, perpetuëlen te verkoopen, toen deze drie en zeventig stonden, en vijf percents te nemen, toen zij voor vijf en tachtig te krijgen waren. „De gelukkige!.”zeide men.

Ik heb u den knappe koopman voorgesteld; wat hij als echtgenoot was, moogt ge beoordeelen uit de kennis, die wij met zijne vrouw zullen maken.

Voor hare psyche zat zij op hare slaapkamer, een’ dag tien, twaalf later dan dien van ons eerste hoofdatuk – het was elf ure; zij scheen ter nood te hebben ontbeten; immers op tafeltje, bij de chaise longue geschoven, rookte een kop thee nog.

„Is de tik over, mevrouw?” vroeg de kamenier, de vierde vijfde muts van het hoofd harer meesteressee ligtend.

„Zeg toch tic, Mimi! al ken je geen Fransch, je moest weten dat het tic douloureux heet. Tik, wat klinkt dat gemeen!

En als had dat weinige spreken haar vermoeid. liet zij haar hoofd achterover tegen de rugleuning vallen, en staarde Mimi door hare halfgelokene oogleden aan – het meisje bleef roerloos wachten, tot het mevrouw behagen zou, haar in de gelegenheid te stellen, het zesde hoofddeksel los te strikken.

En demi-toilette, Mimi!” zuchtte mevrouw Ovens; waarlijk, de zevende dormeuse werd zigtbaar.

„De doctor zal verbaasd wezen, als hij u op vindt, mevrouw merkte Mimi aan.

„Ik zal hem zeggen, dat het mij goed doet, dat hij me gister gemanqueerd heeft,” was het antwoord, zoo spijtig gegeven, stond de medicus voor haar.

De laatste muts ging af, en de kamenier knipte zonder verlof te vragen, eenigs graauwende haren van het voor het overig glanzig zwarte hoofd; mevrouw zuchtte bij ieder geluid van schaar; toch was zij volle vier en veertig jaren; toch had zij drie kinderen, twee zonen en eene dochter, die getuigden, dat zij langer dan twintig Meimaanden mevrouw Ovens was geweest; waarom had zij in, ik weet niet welken, roman gelezen, van moeders en dochters, die maar zusters schenen?

Schel eens, Mimi!” beval zij, terwijl het toilet werd voortgezet, dat ik noch slag, noch lust hebbe, u uitvoerig te beschrijven.

Er kwam een andere dienstbare binnen, en Mimi kreeg den last haar te zeggen, dat mevrouw de jonge jufvrouw verzocht, even bij haar te komen.

De ablutiën waren afgeloopen.

Mimi zag vier-, vijfmaal naar de deur om; – maar digt was zij en digt bleef ze, schoon het meisje intusschen al het vijfde kleed aan mevrouw had laten zien, die nog altijd maar niet kiezen kon; die hare dochter wenschte te raadplegen, wat piquantst zou staan, bij den tooi van deze.

Daar werd getikt.

Mimi sprong naar de deur.

„Mevrouw! de jonge jufvrouw kan onmogelijk komen; zij heeft schilderles.”

„Och! dat de talenten van mijn kinderen ook zoo veel tijd kosten! Is het dan waarlijk al half twaalf ure!”

Een blik op de pendule overtuigde er haar van. „Mimi! ik slaap tegenwoordig veel te lang – dat komt –”

„Van uw’ tic, mevrouwl” viel Mimi in, en geene Parisienne zoude de Soester deerne, door mevrouw Ovens aldus herdoopt, dien tic hebben verbeterd.

„Juist, van mijn’ tic, Mimi!”

„Dat kleedje dus, mevrouw?” vroeg deze.

„Laat zien, neen! – vandaag wat donkerder – ik ben bleek, zeer bleek, interessant bleek – ook kan Louise zich altijd nog verkleeden, als wij te veel mogten afsteken.

En mevrouw minaudeerde tegen de psyche, als ware die spiegel Ovens geweest, toen deze naar hare hand dong – in het jaar van den slag van Waterloo.

„Mimi!”

„ Wat blieft, mevrouw?’ het kind stond besluiteloos bij de garderobe. „Wat donkerder,” kondigde het doorloopen eener nieuwe serie aan.

„Schel nog eens!”

Te hooren, was gehoorzamen.

„Laat Elize aan de jonge jufvrouw en aan mijnheer zeggen, dat ik hen van ochtend in de zijkamer op koffij wacht – het zal voor allen eene verrassing wezen – ik ben in geen drie dagen visible geweest – half twee, precies. – Ik heb nog niet gedaan, Mimi; – op de zaal moeten de hoezen van de stoelen en de canapé’s worden genomen, en het middelste raam opengezet – de stores op een kiertje, zoodat mijnheer er om twee ure iemand ontvangen kan. – Maderawijn met een beschuitje, op een zijtafeltje – maar het is genoeg, Mimi! mijne dochter zal komen zien, of alles gereed is!”

Eene verrassing! – Mevrouw Ovens was sterk in verrassingen van afwisselende ongeeteldheid en beterschap; was er sinds jaren al wat te sterk in geweest, om er langer grooten indruk meê te maken. Eenig kind van rijke ouders, had zij, in hare jeugd, iedere harer luimen gevierd gezien – gedurende de wittebroodsweken was zij, door eene onbeduidende onpasselijkheid, meesterese geworden van het geheim, hoe zij haar gezag tegenover dat van Ovens konde handhaven: – het school in eene delicate constitutie. „Eene ware trouvaille!” schreef het toen schoone schepsel aan een harer vriendinnen, die zij zelfs op haren voyage des noces niet vergat, „tegen zijn gezond verstand valt niet te praten; ook heeft hij een wil die liever breekt dau buigt; maar als ik in eene kwijnende krankte dreig te vallen, voilà le lion à genoux.” Hoe waar het was, daarvan overtuige u de raad, dien haar jeugdige echtgenoot eenen vrolijke vried gaf, welken zij op eene badplaats ontmoetten. „Jongen!” „waarom trouw je toch niet? – het is een hemel op aarde, een wijfje te hebben als mijne Carolina; – wat zou ik er niet voor willen geven,” voegde hij er zuchtende bij, „dat zij minder tenger was; ik kan koud worden, als ik denk aan de tering!” En mevrouw Ovens had partij getrokken van hare kennis die kwetsbare plek des gemaals, tot op het spel zettens zijner liefde toe.

Vier of vijf jaren lang zeg Ovens de kunstgrepen aan, en zwichtte er zwijgend voor; de tering deinsde op den achtergrond, naarmate allengde tengerheid te loor ging, doch de angst voor fausses couches hield hem in bedwang, hield haar op den troon. Een jaar na hare laatste bevalling kwam echter de strijd – en al beproefde mevrouw Ovens, in het eerste oogenblik der verassing, op niews de aankondiging eener kwijnende krankte, het middal deed zijne gewone werking niet; – de teederheid bleek geweken; zelfs tranen vloeiden vergeefs. Het was eene ure van radeloosheid. Ovens dreigde alles te hernemen, wat hij vroeger prijs had gegeven: de keuze der uitspanningen gedurende den winter; eene stem, eene beslissende stem ter bepaling, waar zij des zomers buiten zouden zijn; het recht, gasten te vragen, op den dag, die hem gelegenst kwam, wat weet ik het al? De schier dertigarige vrouw en moeder stampvoette van ongeduld, even als het tienjarige meisje plagt te doen, wanneer het regende, als zij wandelen zou. Och, het gelaat des hemels was toen nog spoediger opgeklaard, dan thans het gerimpelde voorhoofd van Ovens, dien man, o dien leelijken man! Wip, stoof zij naar de kinderkamer, en, wip, stoof zij die ook weder uit; de knapen waren jongens als eene wolk; het meisje had wangen als poffertjes; op den vader viel niet te speculeren; wat zou ze doen? De ochtend zag haar met de hand onder het hoofd; de middag vond haar in geene betere stemming; de avond viel vreeselijk lang: „la nuit porte conseil!” eindigde hare eenzame overpeinzing. Een slapelooze nacht volgde, en toen werd het spreekwoord bevestigd mevrouw Ovens was besloten tot een variatie van haar oude thema, – maar dat te zekerder slagen moest, naarmate het telkens onvoorziener verrassen zou. Worsteling met den wil van Ovens dreigde haar ondergang; teleurstelling en afmatting van dezen beloofde de zege. Het eishte eene poos huichelens, die haar zwaar, zeer zwaar viel; Pope zou gezegd hebben, niet om het huichelen op zich zelf, maar dewijl zij moest voorwenden, toe te geven. Bon gré mal gré, het geschiedde; Ovens bepaalde, Ovens regelde, Ovens schikte; zij stemde er in, zij zag het aan, zij leed het – tot de ure van ontvangen of vergezellen toe. Souffrante lag ze dan op de sofa, – souffrante, maar zonder dat eene klagt over hare lippen kwam; – zij stond op, zij zeeg ineen; om den wil des lieven vredes beproefde zij alles, maar het ging niet; – hij moest een barbaar geweest zijn, als hij het gevergd had van haar, die wel wilde maar niet kon. Eer het driemaal geschied was, liet hij gaarne de teugels weder glippen, hij had kennis gemaakt met voorberadene inertie!

Een troost bleef hem over, een schrale troost, het is waar, maar toch een troost (want zij diende in zijn achting gedaald te zijn, eer hij de opmerking maken kon, eer hij die over zijne gade van zich zelve duldde): – wat moest het dier levendige, heerschzieke, ongeduldige vrouw niet kosten, drie dagen na het beslissende tijdstip nog magteloosheid te veinzen, nog traag te schijnen; – dat spel te blijven voortspelen, lang nadat zij er door was geslaagd! Ook zonder op nieuw dien hatelijken Pope aan te halen, .gelooven wij, dat hij zou hebben leeren inzien, hoe zij tot dat huichelen slechts hare toevlugt nam bij gebrek van wisser waarborg voor de vervulling van hare wenschen, – als de Hemel hem geen wrake beschoren had! Rheumatische ongesteldheden grepen haar voor jaren aan; rheumatische ongesteldheden, die haren arts koel lieten, daar zij tot geen crisis leidden; rheumatische ongesteldheden, welke verergden door de afwisselinq der zeven mutsen op de peluw, en de weg te blazen blonde in het balkon; – de tic van dien morgen mogt niet dat hopelooze lijden zijn geweest, hetwelk den hardvochtigsten geneesheer verteedert; het was meer dan echtgenoot of kinderen er in beklaagden. Vergeefs dat zij er deernis voor inriep, vergeefs dat zij, sinds haar koorts opwies, getracht had door het stelsel der verrassingen bij haren man eene liefde te herwinnen, in de veinzerij verbeurd. Ook onder die surprises scholen grillen,– doch te over alreeds om vonnis te vellen, of Ovens, de benijde Ovens, als gade, eok „de gelukkige” heeten mogt.

„Caroline!” zeide hij, toen Louise, om half twee uren precies, in de zijkamer koffij schonk – de jonge jufvrouw voor het raam gezeten, het digtst aan de hooge stoep, mevrouw tegenover hare dochter, voor dat, hetwelk vergunde ieder aanschellende te zien; „Caroline, wie wacht je van morgen?”

En ter bevestiging, dat er iemand gewacht werd, die niet tot de alledaagsche gasten behoorde, liet hij zijnen blik over de tafel weiden, weelderiger aangerigt dan naar gewoonte; zij schitterde van ouderwetsch porcelein, en van nieuwerwetsch kristal.

Mevrouw glimlachte veelbeteekenend, maar antwoordde niet.

„Louise ziet zeker een Haagschen beau te gemoet,” zeide de tweede zoon des huizes, plaagziek.

Een smadelijke trek ontsierde de frissche, maar koele lippen van het meisje; eene fade blonde, volschoon, doch ijskoud. Het was of zij zeggen wilde: „hoor dien kwâ jongen eens!” Willem Ovens werd, o onvergeeflijk vergrijp! een goed jaar later geboren dan zij.

„Kleur maar niet, Louise” schertste de man des huizes

„ Och, papa! Als ik iemand wachtte,” klonk het spijtig, „dan had ik hem achter den lessenaar geIaten; zie, hij is niet presentabel eens !”

Waartoe nam Louis toch les in het schilderen, als zij zoo weinig zijn had voor het schoone? Presentabel! Hoe allerliefst de toiletten der beide dames contrasteerden; mevrouw in een wolkje van kantt gehuld – de jonge jufvrouw met een gouden ferronière om de slapen; mama in een lilas zijden kleed, de buste deor een canezou omneveld; de dochter in een robe de barèrege , tot haar middeltje omspannen kost – hoeverre deden in karakteristieke uitdrukking, in natuurlijke bevaIligheid, in waar schoon voor Willem onder! Niet presentabel? Het jasje van lichtkleurige zomerstof mogt te huiselijk zijn om er een Hagenaar in te ontvangen, de breede borst, welke het openliet, duidde al de kracht aan zijner bloeijende gestalte, welker lenige rapheid ge hadt benijd, bij eenen bIik op de achteloos over elkander gekruiste beenen, omsloten door eenen iederen vorm verradenden pantalon. Geboucleerd noch gefriseerd, verspreidde hij geen walm ven geuren rondom zich, maar de achteloos ter zijde geetrekene haren gaven een voorhoofd bloot, zoo hoog en zoo breed, dat de jongeling den aanbevelingsbrief van verstand en koenheid scheen mede te dragen. Levenslust schemerde uit de bruine kijkers, vuriger als zij vonkelden – immers wij, mannen, mogen in eene vertelling nog eten en drinken? – vuriger als zij onder de hooggewelfde wenkbraauwen vonkelden, door de kalfskarbonade, die hij half had genuttigd, door het glas Rijnschen wijn en Fachinger water, dat hij schuimende ophief, en nederzette, bij Louise’s opmerking, met eenen ernst, die wèl stond aan wangen en lippen, door den ontluikenden baard donker getint.

„En wie zegt u, dat ik eens aan den saletrekel wil worden gepresenteerd?” vroeg hij. „Al was papa geen millionair, Louise, eer ik zulk een zwager een ambt zou dank weten, ging ik de wijde wereld in.”

„Millionair, jongen! millionair!” grinnikte de oude Ovens – liever zeggen wij, Ovens de vader, gestreeld, en liet er op volgen: „Willem! jij zult een haartje grijzer wezen, eer jij je eerste honderd duizend hebt verdiend; dat geeft Piet je te doen.”

Piet’ was de oudste zoon des huizes.

„Stil zittende? ja, papa!” antwoordde de schalk, „stil zittende, eene leêren broek door, pardon, mama!”

Doch mama had het niet eens gehoord; mama minaudeerde het venster uit; mama zou achterover zijn gevallen, als zij maar zeker was geweest, de leuning harer chaise longue in den rug te hebben.

„Louise! salueer dan toch!” zei ze.

„Wie, waar, mama?” vroeg de blondine.

Het was te laat; de verschijning op de stoep bleek reeds binnengelaten. Thomas diende den heer Van Oudenhove aan.

„Ik zal bij mijnheer komen,” antwoordde Ovens.

„Laat mijnheer op de zaal, Thomas!” beval mevrouw, den klemtoon op de laatste lettergreep leggende, en pas had de knecht de kamer verlaten, of zij zag haren echtgenoot aan, als vroeg zij hem: „begrijpt ge nu, wien ik wachtte?”

„Was de kleine zijkamer dan niet groot genoeg voor ons beide?” hernam de heer des huizes, – terwijl hij het zich zelven niet vergaf, den avond te voren in haar bijzijn het briefje te hebben geopend, waarin de bezoeker belet had gevraagd – en er schamper op volgen liet: „Of had hij niet hier kunnen komen, om getuige te wezen van de verrasaing?”

„Ovens!” zuchtte mevrouw, en vervolgde als de verongelijkte: „Van Oudenhove zal zien, dat we ten minste....”

„Caroline!” viel hij ernstig in, „ik weet niet, wat de man mij te zeggen heeft; – weet gij het?”

„Ik weet, wat ik weet,” hernam mevrouw, en daar dit onbetwistbaar, ja, zelfs onloochenbaar was, stond mijnheer op en ging naar de zaal.

Sir William Temple verdeelde, inzijne Opmerkingen over de Nederlanden, de bewoners dezer gewesten in landlieden, zeelieden, winkeliers, kooplui, renteniers en een greintje adel; – het mogt hem niet van het hart, den laatste als de specerij te schetsen, die den burgerlijken hutspot kruidt. Een tijdsverloop van meer dan anderhalve eeuw, sedert hij het stift ter hand nam, heeft echter de karaktertrekken onzer edellieden gewijzigd; niet allen zijn langer slechte kopijen van vreemde zeden, in houding, kleeding, taal, tafel, galanterie en débauche, vele hunner vaderen hebben zich zijnen goeden raad ten nutte gemaakt, en er naar gestreefd, door het beschaven der zeden, door het beoefenen der deugden, hun luchtgestel en hunnen landaard eigen, goede orginelen te worden. Maar zoo des ondanks eene herinnering van de woorden van den wijsgeer vaa Sheen den Hollandschen adel onzes tijds nog niet schaden kan, hoe wenschte ik, dat ieder rentenier – onder wien Temple den stand verstond, sedert beurtelings als patriciërs geëerbiedigd en als aristocraten gevloekt – dat ieder hunner geleek naar een beeld der groep, welke hij aan die klasse ontleende: „Zij vergenoegen zich met de eere, het algemeen van dienst te zijn, met de achting hunner staden landgenooten, met de onafhankelijkheid, hun door hunne fortuinen gewaarborgd, die, hoe klein dan ook, voor hunne behoefte doorgaans toereikende zijn, ten gevolge van eenen eenvoud van leefwijze, welke, waarschijnlijk in den beginne verpligt, onder hen later eervol geworden is.”

Tien tegen een, dat ik daar. iets onmogelijks vroeg, voor zooverre de afstammelingen der toenmalige raadsheerlijke geslachten betreft, tenzij ieder zoon van deze eene rijke erfgename had gehuwd; des noods de dochter eens koopmans, daar de naam toch de vaderlijke bleef! Immers, indien de stichter der Triple Alliantie, door zijne bewondering van de Witt al niet verleid werd tot eene te vleijende schets der magistratuur van dien tijd, allerlei ambtbejag, een meer dan hooglandsch nepotismus, een gewetenloos sinecurisme, dreigde de erfzonden eener caste te worden, door eerstgeboorteregt voor het smaldeelen dier vermogentjes behoed! Dat een andere Temple het zich ter taak stelde, uit onze geschiedenis aan te wijzen, hoe zij het inderdaad werden, – de onpartijdigheid van den vreemdeling zou de waarheid misschien gehoor doen vinden, waar de waarschuwende stem des landgenoots in den wind geslagen wordt. Ons doel reikt zoo hoog niet, – al wilden wij u opmerkzaam maken, welk een anomalie in onzen tijd patriciërs zijn, noch rijk genoeg om hunnen rang op te houdeu, noch degelijk genoeg, om, trots hunnen overouden naam, terug te keeren tot den tak van bestaan, waaruit hunne onafhankelijkheiid oorsprong nam. Levende in de herinnering van het Gemeenebest, – niet om den wille der voorbeelden, hun toen door hunne voorvaders gegeven; neen, louter om dien van het gezag, in die dagen door deze uitgeoefend – verbeelden zij zich bij ons bestuur nog bezorgdheid te wekken, schoon zij zich voor keizerlijken degen en koninklijk.en schepter beurtelings dieper bogen dan het plebs!

Van Oudenhove behoorde tot de laatste. Uit een geslacht gesproten, welks leden elkander sedert eeuwen op de kussens met de drie kruisen pleegden te vervangen, bekleedde ook hij meer waardigheden, dan de week dagen telt, – en had hij echter geen begrip van de hoogste waardigheid, welke ieder zich zelven bedeelen kan, die van een man van eervolle beginsels, van een, man van karakter te zijn. Hoe zou hij er bezwaar in hebben gevonden, de ridderorde van den Nederlandschen leeuw te dragen, hem door eenen Oranje omgehangen, schoon hij in zijn hart de dagen terugwenschte van het stadhouderloos bewind, toen de burgemeesters der hoofdstad Holland de wet stelden? hij, die voor zich en de zijnen ambtjes zocht, waarop iets oversehoot, als men die liet waarnemen, te zelfder tijd, dat hij naar posten streefde, aan welke de voorwaarde van onkreukbaarheid was verknocht.

Onze man – want hij was iemand tusschen de vijf en veertig en vijftig jaren – ging op de zaal heen en weêr, welker middelraam openstond, de stores eventjes van elkaar, zoo als mevrouw Ovens bevolen had. Welk een teleurstelling was aan de hare gelijk geweest, als zij getuige had kunnen zijn, hoe luttel indruks de pracht van het rood damasten ameublement op hem maakte; hoe hij glimlachte om de poging, het achttiende-eeuwsch geplafonneerde vertrek eenen zweem van moyen âge te geven, door allerlei prullen van De Hart! Slechts de schilderijen, vreemd als ze afstaken bij de vreemde voorwerpen, straks loffelijk vermeld, slechts de schilderijen boeiden hem, – schoon hij bij de twee landschappen en twee zeegezigten, welke de vier hoofdvakken vulden, de opmerking naauwelijks weêrhouden kon: „dat de paddestoelen ten minste verstandig genoeg waren, om niet met hunne onbekende ouders te pronken!”

Welligt zou hij, in even vriendelijken geest, zijne beschouwingen hebben voortgezet, indien een der knoppen van de dubbele deur niet had gekraakt. Dat de man des huizes binnenkwam; dat Van Oudenhove, trots dikken buik en dunne beenen; het van dezen in beleefde buiging won; gij stelt het u voor, als hadt gij ’t gezien. De heeren namen plaate op eene canapé. „Buiten de zon en buiten den togt,” juichte de gast den gastheer toe, „voorzigtig in het groote als in het kleine.”

Ovens grinnikte.

Ik spaar dezen niet in zijne ijdelheid, – ik heb hem der verachting aller oude vrijers veil gegeven, in zijn zwichten voor zijne vrouw; – zoo als de beide mannen daar tegelijk naast en over elkander zaten, scheen echter de patriciër de paddestoel en de paddestoel de patriciër; we mogen het niet voorbijzien. Van Oudenhove’s gelaat had al het vleeschige kwabbige, logge, in welks toenemen van geslacht tot geslacht Niebuhr de ontaarding van ons volkskarakter opmerkte, toen hij, bij het bezoeken van een onzer Museums, van de beeldtenissen der eerste vrijheidshelden tot die hunner kinderen en kleinkinderen kwam. Ovens daarentegen was schraal van gezigt, tot uitstekens toe der forsche jukbeenderen en hoekige oogkassen, lange welke de aderen niet wegdoken in vet; blood and bone, zou een Engelschman hebben gezegd, en het op zijne hand hebben gehouden, ware er sprake

Geweest van volharding, ijver en kracht. Wanneer ge mij nu nog de hoffelijke manieren, de kleinere handen en voeten van den weledelgeborene tegenwerpt, dan buige ik mij, – maar met de opmerking dat onze oude patriciërs zich niet enkel onderscheidden door conventionele vormen en conventioneel schoon. „Degelijkheid” was hun wachtwoord.

„Mevrouw Ovens schijnt wat beter te zijn,” begon.Van Oudenhove belangstellend zijne informatie; „ik had het genoegen haar van verre te zien.”

„Dank u,” hernam haar gemaal, en vroeg op zijne beurt.

„Mijne familie is wél,” was het antwoord, „dat eene zeldzaamheid is met zeven kinderen, als u weet” (het was de vraag, of de gastheer het wist, en dus werd de phrase aangevuld) „en onder deze zijn –”

„Delicate constituties!” viel Ovens in – wie echetst, wat hij er bij dacht!

„Dat juist niet, mijnheer; – mevrouw Ovens lijdt aan die kwaal, niet waar? en toch zou men het uw huis niet aanzeggen, zulk eene volmaakte orde heerscht er in, zulk een vrolijk voorkomen heeft alles hier!”

Ovens zuchtte onwillekeurig; Van Oudenhove bemerkte, dat hij eene valschklinkende snaar had aangeroerd.

„Het treft mij te meer, dewijl ik met zeven kinderen, als ik zeide, een drukke huishouding gewoon ben; we doen wel ons best den handel zijnen geest van orde af te zien, mijnheer Ovens!” – de vlieger ging niet op, er kwam geen glimlach; – „maar daar we doorgaans vreemden over den vloer hebben, ten gevolge van ongesteldheid der kleinen –”

„Toch geene mazelen?” vroeg Ovens, en deinsde naar het andere einde der canapé – het was de tweede bok, dien Van Oudenhove schoot, uit overgroote insinuatiezucht; de man van de wereld had bij den burger op huwelijksliefde en huiselijkheid gerekend; hij had voorbijgezien. Dat Ovens er wat rijk voor was, en Van Oudenhove herstelde zich:

„Volstrekt niet; ik zou in dat geval het huis houden: maar sinds langer dan eene maand zijn wij allen volmaakt wél; de staatsraad Ter Knikker logeert te mijnent; hij geldt een declaratoir van gezondheid – in geene drie weken heb ik eene enkele zitting van .... verzuimd; eene saaije sessie, mijnheer Ovens! maar wat getroost men zich niet, en père de famille, die geene bankiersfortuin heeft! Opregt gesproken, in die kwaliteit kom ik tot u:” – het voorhoofd van Ovens werd rimpeliger dan het nog was geweest, maar ontwolkte eensklaps toen Van Oudenhove, voortgaande, eindelijk ter zake kwam: – „het is u bewust, dat Graevestein –”

„Hij is dood!” viel de man des huizes in, met al den nadruk van den haat, „en laat zijne dochters arm achter.”

Ridicuul van discretie,” lachte Van Oudenhove.

„Hij was het niet in het spreken, mijnheer!”

„In het rekenen, mijnheer Ovens! een witte raaf in de praktjk, – vergeef mij, u wordt bediend door....”

„Mr.....”

„Hoe kon ik het vragen? ons eerste handelshuis,” – de wierook walmde wat zwaar! want Ovens & Zoon golden geen Hope & Comp., golden niet eens Daniël Crommelin en Zonen, – „ons eerste handelshuis zou niet onzen eersten advokaat hebben! Men is voor zijne vrienden verantwoord –”

„Als men hen plukken laat, mijnheer Van Oudenhove! – maar had ik zelf eene zaak, – doodvijand van processen als ik ben...”

„Dan hadt ge liever Graevestein gekozen.”

„Nooit, mijnheer! – doch de man is dood – en zijne dochters zijn arm; de oudste is nog min of meer kennis van onze Louise.”

„Een interessant meisje,” – Ovens wist niet of hij buigen zou, dan of het Anne gold – „maar zoo als u zeide, hij is ter ziele, en zoo als u weet, hij was secretaris van.....” – Ovens begreep het doel des bezoeks – „dat zou een kolfje zijn voor de hand van mijn’ Hendrik; en père de famille wilde ik u om uwe stem vragen; als president staat het eigenlijk aan u; – schoon zijn vader, durf ik zeggen, dat hij knap is, – hij is de oudste uit mijn eerste huwelijk.”
„Hoe lang gepromoveerd?”’ vroeg Ovens.

„Voor ruim twee jaren, mijnheer.” „Hm! – hij is nog jong.”

„Het is waar, mijnheer Ovens; maar dat is een gebrek, hetgeen alle minder wordt, en misschien weldra geen gebrek meer wezen zal, ten minste als het gerucht van den dag geloof verdient –”

„Welk gerucht?” vroeg Ovens.

„Dat Z. M. abdiceren zal, – we zouden dan vele veranderingen kunnen beleven in het ministerie; – de zeventigers ad patres – onze leefhijd zou aan de beurt komen, – onze leeftijd, mijnheer Ovens! en een beetje jongere misschien.”

„Gekheid, mijnheer Van Oudenhove, gekheid; ik zou het weten, als er zoo iets aan de hand was; men kleedt zich niet uit, eer men naar bed gaat –”

„Met uwe permissie, mijnheer! Is er iemand, die weet wat men opoffert voor een tweede huwelijk, ik weet het; – de herinnering aan hetgeen het den beiden kinderen uit mijn’ eersten echt kostte, geeft mij nogmaals moed bij u aan te dringen voor mijn Hendrik – uwe stem is zoo goed als de aanstelling – een andere Van Hoboken van Rotterdam, na wien niemand teekent, daar zijn verzoek ten hove volstaat! – mag ik mij vleijen, mijnheer Ovens? mijn zoon is geporteerd voor de vrijbeid van handel; dat is erfelijk in onze familie.”

„Behalve als er voor de graanwet gestemd wordt,” antwoordde Ovens, en Van Oudenhove, hetzij het op den man af, hetzij het op iemand van zijn geslacht gemunt was geweest, Van Oudenhove zag zuur; „maar ik zal me beraden,” liet de heer des huizes er oogenblikkelijk op volgen; „houd me ten goede dat ik in de drukte des gespreks vergeten heb, u iets te presenteren; – wat zal u gebruiken, een glas Maderawijn? –”

„Verpligt, mijnheer Ovens! Verpligt!” – binnenkomende, had de gast besloten, mevrouw Ovens een kompliment te maken over de apprêts op het zijtafeltje; thans hield hij het, beter ingelicht, raadzaam te bedanken; „verpligt!” en eensklaps oogen geworden voor de pendule, rees hij op; „ik worde gewacht op eene comparitie, en u wacht de beurs; men zou buiten mij welvoortgaan, maar buiten u? – ik ben reeds indiscreet geweest bij een’ man van zaken; – uw dienaar, mijnheer Ovens! – Hendrik zal de eer hebben u te komen zien: heengaande, recommandeer ik mij en père de famille; – mijn respect, aan mevrouw; ik bid. u, geef u geene moeite –”

Ovens vergezelde hem in den gang, schoon Thomas toeschoot.

„Niet verder dan tot de zijkamer, – mijn respect!” herhaalde Van Oudenhove.

En de man des huizes moest haar wel binnentreden; mevrouw, die het „respect” gehoord had, zag hem triomfantelijk aan.

„Hij kwam solliciteren voor zijn zoon,” zeide Ovens, en genoot hare nieuwsgierigheid, – „om het secretariaat van...”

Ah! le tic!” zuchtte mevrouw.

En de koopman ging naar de beurs – terwijl de kwijnende kranke zich op het bezoek van den doctor – de oude kennis, dien wij nog zoo weinig kennen – voorbereidde.

[Hoofdstuk 3]