E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

DE ZUSTERS

[Hoofdstuk 2]

III.

Ten Have had zich van zijnen droeven pligt aan het overschot van Graevestein gekweten; ten gevolge van ’s mans uitersten wil was het met dat zijner geliefde gade vereend.

Het bleek het ligtste te zijn geweest van den last, hem door zijnen vriend opgedragen. Met looden schreden mogt zijn voet de lijkbaar door het Muiderzand zijn gevolgd; somberder was Ten Have te moede toen hij den anderen morgen de welbekende woning weder intrad, toen hij de dochteren van haren toestand kennis geven zou. Wie onzer heeft nooit iets dergelijks gevoeld! Er moge waarheid schuilen in de opmerking dat de ouden den dood aangenamer voorstelden dan wij; bij de groeve blijkt het, dat de hemel gewonnen heeft, wat de aarde verloor: voor de overblijvenden resten de zorgen des levens, voor den ontboeiden geest volstaat de genade van God. – Ten opzigte van Graevestein en zijn kroost woog die waarheid voor Ten Have dubbel; Het woord hem in de eerste ontroering tegenover Doortje ontsnapt, het woord dat voor Anne het spaarzame zijner schikkingen verklaarde, het woord: „lief kind! je blijft niet rijk achter,” was door zijn volgend onderzoeken schrikwekkend bevestigd. Luttel zou het den dochteren hebben gedeerd, ware het haar slechts uit den eenvoud der begrafenis, uit de stilte bij het ceelemaken gebleken. Er stroomde geen wijn bij het laatste, en volgde geen gastmaal op de eerste, – dat het nooit geschiedde, dat de dood bij allen heerschen mogt, zoo lang zijn offer boven aarde staat! We worden er te weinig aan herinnerd, werwaarts wij gaan, we voelen te vlugtig dat niemand ons zeggen kan of wij er morgen nog zullen zijn, – om ons zoo digt mogelijk aan de wereld te sluiten, door zoo ver mogelijk van den verscheidene te vliên. O, dat ontvangen van ongemeend of wawelziek rouwbeklag, hetgeen zulk eene weldadige afleiding heet te geven – hoe ijdel moet het harte zijn, dat daaraan zoo ijlings behoefte heeft! hoe luttel het leed, dat zich dit zoo ligt laat doen! Anne en Doortje werden er voor bewaard. Graevestein had nooit vele vrienden gehad; voor den minbedeeldste vermindert de dood die. Stel u voor, hoe weinigen haar kwamen zien; Zij deden het daarentegen den gestorvene dikwijls: niet op bepaalde uren des dags, maar als heur gemoed er haar toe dreef; ik geloof dat zij er bij wonnen. Ter zijde van eene kist moge het leven niet aanlagchen, moge het ernstig zien – voor een oogenblik wordt de band, die dit aan het volgende bindt, aanschouwelijk, en onwillekeurig voert het gebed tot God. Ordelijk, als de overledene was geweest, hadden luttel uren den voogd in staat gesteld een oordeel over de nalatenschap te vellen; maar niet enkel om den wil harer onbeduidendheid werden den vijftiger, bij het schiften der papieren, de oogen vocht. Eene kleinigheid herinnerde hem hunne eerste kennismakin te Leyden, waar beide in de regten hadden gestudeerd, Graevestein een paar jaren later aangekomen dan Ten Have; maar de ernst van den jongen Gelderschman had dezen zelfs ouder doen schijnen dan den vrolijken Amsterdammer – hoe vertrouwelijk hadden zij weldra zamen omgegaan! Het was een boetsken aantekeningen van Graevestein’s huishouding, dat die heugenis verlevendigde; – het lag voor Ten Have open, bij doorliep het. Dáár vermeldden weinige cijfers het kleine kapitaal, waarover zijn vriend als ouderloos jongeling te beschikken had, toen de akademie verliet, toen hij zich als advocaat in de hoofdstad vestigde – Ten Have zag het jaartal, en dacht onwillekeurig hoe algemeen men hem zelven in dien tijd den toekomstigen erfgenaam eener tonne gouds had geacht! – Geen vierde van eene eeuw was het nog geleden, Graevetein sliep reeds den langen slaap, en wat was er van hem geworden? – Het blaadje annotatiën behoefde niet te worden omgeslagen, om den aankoop te vinden van het huisraad, voor het huwelijk zijns vriends eischt, die Sophie Verburg waarlijk niet om haren bruidschat nam, als toeziende voogd wist bij het; – doch hij dacht aan die voogdijschap niet. Op een der feesten, bij de heugelijke gelegenheid gegeven, had Ten Have voor de eerste maal zijns levens Maria Kortenhoef gezien, Marie, die zes maanden later zijne verloofde was geworden, Marie die... – Wat greep den vijftiger aan, dat het boeksken een oogenblik digtsloot, dat hij den vriend vergat wiens achteruitgang hij zich verklaren wilde, buiten twijfel het bij hem was, dat geene verkwisting daarvan de oorzaak konde zijn; wat greep hem aan? – Ten Have had zich verloofd aan Marie, zeiden we; hij, de jonkman die te rijk zoude worden om ooit te praktiseren, aan de schoone, maar arme weezen van goeden huize – en echter, hoezeer over de vijftig, was hij nog ongehuwd! Weder hield hij het boeksken in zijne vingers geopend, weder wilde hij de cijfers van het kapitaal van Graevestein volgen, kleiner als deze werden door het gedwongen far niente der eerste praktijkjaren – het lot van zoo menig jeugdig regtsgeleerde! – maar het ging niet, maar Ten Have’s voorhoofd rustte opnieuw in zijne hand. Helaas! in denzelfde tijd, dat Graevestein de eerste geneugten van den echt smaakte en zich die nadeelige balancen getroosten kon, of dit in allen gevalle deed dewijl het toch waarschijnlijk was dat zijne oudere confrères eenmaal hunne rust zouden nemen, of ter rust zouden gaan, in denzelfden tijd, dat zijne Anne opwies, dat zijn Doortje geboren werd, was ten Have allerlei leed ter prooi geweest. Ze zijn ongeneeselijke wonden, voor de ziel als voor het lichaam, wonden, die weder openspringen, als ge dat het minste verwacht. Op eenen schoonen zomermorgen had Ten Have eenen drenkeling, een lijk, het lijk zijns vaders! in den vijver van hun buiten verrast, toen deze vroeg uitgereden heette, om een vierspan rossen te gaan zien, hetwelk naar de paardenmarkt werd gevoerd, een vierspan, de weêrga van het zijne! Die ochtend. was het keerpunt van het lot des jongelings geweest; eensklaps werd de pligt, voor zijne moeder en zijne zuster te zorgen, hem opgelegd, daar het bleek, dat eene bankbreuk zijns vaders onvermijdelijk was geworden, als de dood van dezen geene likwidatie telle quelle had vergund – Marie zag van hem af... Een briefje van hare hand lag in het aanteekeningenboekje van Graevestein. Ach! dat dit alles Ten Have weder voor den geest moest komen; dat het hem onmannelijk week maakte! Leefde hij dan thans niet rustig, regter als hij geworden was? had zijne moeder hem niet gezegend op haar sterfbed? was zijne zuster niet gelukkig gehuwd? Weder verdiepte hij zich in de aanteekeningen; hij schudde het hoofd bij eene aanzienlijke uitgave zijns vriends, voor eene badreize van dezen en zijne vrouw; hij schudde het hoofd, oud vrijer als hij geworden was. Ware hij in de plaats van Graevestein geweest, hij had zoo goed als deze voor eene hopelooze lijderes, voor eene beminde gade, dat laatste middel beproefd! sedert Sophie’s dood nam de vast bitter klein gewordene som des kapitaals jaarlijks weder toe, maar langzaam, maar niet beslissend genoeg, om der beide dochteren een onafhankelijk vermogen na te laten.

Ten Have had spoediger de verklaring kunnen vinden waarom zijn vriend zich geene fortuin verworven had, die naam hebben mogt, – als hij begonnen was, waarmede hij eindigde – met het opmaken der rekeningen van het loopende jaar. Neen, het was geene overdrijving geweest, als men Graevestein had beschuldigd zich zelven en de zijnen te kort te doen, uit vrees zijne cliënten te verongelijken, schoon die beschuldiging dan ook uit den mond van lieden kwam, die niet beter waren dan ongeloovigen, al zorgden zij voor hun huisgezin. Een feit ten bewijze. Op pag. 79 van ’s mans grootboek stond een der eerste huizen der hoofdstad, voor Graevestein’s bemoeijingen ten behoeve dier firma in zekere zaak, met f 40 gedebiteerd, terwijl het credit het zonderlinge verschijnsel opleverde, dat deze post met f 150 was voldaan. Ten Have vroeg dien procureur, die het huis had bediend, of hij er hem eenige inliohting over geven kon. „Volgaarne,” was het antwoord; „de chef drong, toen de zaak afgeloopen was, bij mij op de rekening aan, Graevestein beweerde, dat hij er schier niets in had kunnen verrigten; ten leete gaf hij mij eene declaratie, verbeeld u, van f 40, Ik nam haar aan, maar was dadelijk besloten, die niet in te leveren; zij zou, bij het salaris, dat mij in billijkheid competeerde, hebben afgestoken, als wit bij zwart! Veertien dagen daarna bragt

Graevestein f 150 voor zijn aandeel, – ik had waarachtig mijne berekening niet hoog gesteld; – wilt gij gelooven, dat ik moeite had het hem te doen aannemen? verbeeld u, hij noemde het schande!” En als ik er nu bijvoeg, dat die procureur niet tot de schaarlievendste behoorde, dan verbaast het u niet meer, dat ook het u der nog te innen vorderingen Ten Have uit de hand viel. Al mogten zij klimmen tot het dubbele, daar waarschijnlijk een jonger ambtsbroeder de loopende zaken voor de weezen wel ten einde zou willen brengen, haar het honorarium overlatende; zelfs met bijvoegingvan de opbrengst van zijne bibliotheek en zijn mobilair, er zou toch niet genoeg overschieten, om de dochters in staat te stellen, als jonge jufvrouwen te leven.

Vraagt ge mij, of Ten Have zijnen vriend veroordeelde? ik antwoorde u: bijwijlen – als hij vergat, hoe menschelijk het was geweest, dat Graevestein niet gevreesd had, in middelbaren leeftijd, op den leeftijd, dien wij ten minste hoffelijk genoeg zijn dus te noemen, te sterven. En na die bekentenis vergunt ge mij er bij te voegen, dat er ook oogenblikken kwamen, waarin hij zijnen vriend te liever had, dewijl er geene tranen door weduwen of weezen om de weinige fondsen, welke hij na liet, waren gestort. Als Graevestein alle zaken had aangenomen; als hij, voor Engelsche rekening pleitende, in stede van guldens, ponden sterling had geschreven, dan geloof ik niet, dat Ten Have zijp vriend ware gebleven; dat zijn geweten, – maar genoeg, wat konde de voogd voor de dochters doen? „Familieraad beleggen, als ik toch zal moeten doen,” zeide hij in zich zelven, toen hij met een bekommerd harte de zusters te gemoet ging; „maar Graevestein had geene verwanten te Amsterdam; maar Sophie slechts zeer verre, en wie van deze zal toeschieten?” hernam hij in stilte, toen Anne en Doortje hem in den rouw ont vingen. Hij zette zich; hij kuchte; aarzelend legde hij haar eindelijk den toestand der zaken bloot, en temperde de hardheid van den wenk, dat de huishouding hoe eer hoe liever diende te worden opgebroken, door de hoop, dat men later zoude zien – wat –”

„We hebben een billet van nicht Elsabé ontvangen,” viel Doortje in. Anne, die haar lot begon te begrijpen, was voor zich blijven staren; ook had de voogd bij voorkeur het woord tot de jongste gerigt.

Ten Have’s gelaat helderde op; nicht Elsabé – mevrouw de weduwe Ackermaels – was eene verre verwante van Sophie Verburg; was sedert jaren kinderloos, was rijk, was oud.

„Mag ik het zien?” vroeg hij.

„Maar mijnheer!” hervatte Doortje, en reikte het hem reeds. Het was een zonderling episteltje:

 „Mijne hooge jaren, mijn been vooral, beletten mij uit te gaan; maar als ik de nichtjes soms van dienst kan zijn, – niet met raad, want dien zullen zij genoeg krijgen, – maar met daad, dan weten zij immers, waar ik woon, en ik zal toonen, dat ik weet, waartoe ik nog in de wereld ben.

        Groetende

            Nicht Elsabé.”

    „Aan de jonge Jufvrouwen

    Graevestein.”

Er was edelmoedigheid in dat zelfde briefje want Graevestein had, sedert den dood zijner vrouw, de kennis naauwelijks aan

gehouden; hij wilde ook den schijn vermijden, zijne kinderen jagt te doen maken op een legaat, dat aan nadere betrekkingen van nieht Elsabé moest ten deel vallen. Hij was waarlijk geen man van onzen tijd, waarin men soms bij uiterste wilsbeschikkingen van oude dames, „de lieve kindertjes” van aanzienlijke vrienden ruim ziet bedenken – al faalt het der testatrice niet aan verwanten, die maar ampertjes kunnen rondkomen. En welken indruk maakte het briefje op Ten Have; wat besloot hij?

Houd het mij ten goede, dat ik daar straks in den onvolmaakt verleden tijd viel, schoon het juister zou geweest zijn, als ik den volmaakt verledenen had gebezigd – ware hij maar niet zoo slepend! Het was mijn doel, van den aanvang van dit hoofdstuk af,.u de zusters te doen wederzien in de woning van nicht Elsabé; doch, geloof mij, ge wint bij den sprong.

Mevrouw de weduwe Ackermaels, welker woning op den schoonsten van alle burgtwallen der hoofdstad in het oog viel, zoo frisch was zij altijd in de verw, zoo helder waren immer hare roode spiegelglazen; mevrouw de weduwe Aekermaels had aan Ten Have, die haar den eigen’ ochtend nog bezocht, verklaard: „dat zij de nichtjes zien moest, vóór zij zeggen kon, wat zij zoude doen.” Niets kon redelijker zijn, en den volgenden dag waren de meisjes, vergezeld door haren voogd het door Anne gevreesde, het door Doortje gewenschte, bezoek gaan afleggen, zóó onderscheiden waren beider herinneringen van de bejaarde vrouw. „Laat de kinderen binnenkomen,” had haar uit de zijkamer toegeklonken, toen een kabinetstukje van eene neepjesmuts haar had aangediend. „Och! dat ik ook zoo ligt mijne drie en zeventigjaren vergete!” was het volgende woord van de weduwe Ackermaels geweest, zoodra de volwassene dochters hare rouwkappen ter zijde sloegen en haar kusten. „Ga zitten, mijnheer!” had de oude vrouw tot Ten Have gezegd; „u liet mij ook maar voortpraten. Of de jonge jufmouwen niet eerder eene kamenier, dan eene kindermeid noodig hadden! – Biecht nu eens zuiver op, nichtjes!” – de dochteren waren ter wederzijde van haren armstoel blijven staan; – „schrik je niet van dit vel en been van drie en zeventig jaren?” Er waa eene stilte op gevolgd, die het Ten Have goed had gedacht af te breken: door nicht Elsabé was hij, terwijl zij de nichtjes bleef aanzien, heusch, maar kort teregt gewezen; de oude had tegelijk met den vluggen voet gescheld: „Daatje, geef mijnheer eene pijp!” Het was geschied, en nicht Elsabé had zich weder tot de Graevesteintjes gewend: „Heugt het je nog – nichtjes! dat wij elkaâr vóór een jaar of acht eens te Velp hebben gezien? mij heugt het, want het was mijn laatste uitstapje! – als jij ’t je herinnert, zoo spreek.” Welk een gevoelige snaar was door de oude, in die vraag, zoo onverwacht aangeroerd geworden; want het heugde Anne wel, hoe zij was doorgehaald, dewijl ze, met nicht ter kerk gegaan, in de Profeten naar den tekst had gezocht, die in de Handelingen school, en het was juist op haar geweest, dat de blik der zonderlinge vrouw bij die vraag had gerust. Er was eene tweede stilte gevolgd; maar ditmaal had Ten Have niet gesproken, maar gerookt; Doortje was tusschenbeide gekomen: „ Toen heeft u mij nog zoo veel van mama verteld!” Hoe de groote oogen van het grootje hadden geflikkerd bij het wederwoord: „ Waar, kind! en braaf ook; ga zitten, Doore! – Anne! neem ook maar een’ stoel, we zullen den tekst in de Handelingen later wel eena naslaan.”

Eene vreemde vernieuwing der kennis!

Even vreemd als deze was ook het afscheid geweest: „Nichtjes! je kunt bij me komen logeren, wanneer je wilt, – al te veel zal ik niet knorren, maar een beetje kan heiliaam, zeer heilzaam zijn!” – En de voogd had het aangeraden, – schoon Anne er bezwaar in had gezien; ten leste was er ook door haar ingestemd, dewijl de inventarisatie haar verschrikte; Geesje zou dan daarover toezigt houden; Doortje van tijd tot tijd naar huis gaan, – alles als van ouds.

Volle veertien dagen waren de zusters alreeds gasten van nicht Elsabé geweest; – het was theedrinkenstijd; de oude vrouw ontving de meisjes weder na haar dutje. Gedurende dat half uur, dat uurtje, mogten zij op hare kamer gaan, òf in den tuin; òf wandelen; „voor mij wordt, de dag al wat lang,” was nichts woord; „het is wijs, dat de nacht komt.”

Nicht Elsabé breide een steekje; – Doortje schonk thee. Anne zag van haar werk op.

„Ik heb een verzoek aan u, nicht Elsabé!” Anne moge het verantwoorden, waarom zij deze nooit aansprak zonder bij beider betrekking ook den zeldzamen voornaam te voegen – doof was de oude vrouw niet.

„Laat hooren, Anne!”

„U is zoo goed,” – de woorden stikten Anne schier in de keel, „u is zoo goed ons te logeren; mag mijne piano niet hier worden gebragt?”

Het meisje had er Ten Have eenen wenk van gegeven, – maar deze had zich gehouden, als had hij het niet gehoord.

„Het spijt mij, Anne, dat ik uw eerste verzoek,” antwoordde nicht Elsabé, „niet kan toestemmen,” en het kan werd met nadruk gezegd.

„Niet kan, nicht?” viel Anne heftig uit.

„Neen, kind!” zeide de oude vrouw en zeide het goedig.

„En waarom niet, nicht Elsabé?” vroeg Anne, een weinig beleefder, het is waar.

„Anne!” hernam de drie en zeventigjarige, en haren oogen ontging de spanning niet, waarin het meisje toeluisterde; „ik zou u het tiktakken gaarne vergunnen; maar uw voogd is met mij: afgesproken, dat ze zal worden – verkocht.”

„Verkochtl” kreet Anne, schel.

„Bedaar, kind! ik val niet achrikachtig: maar toch zou ik...”

„Och neen, nicht Elsabé! belet...”

„Beletten?” viel de oude vrouw op hare beurt in, „dat mag ik niet.”

„O als ge wildet –”

„Anne, als men lang leeft, dan leert men willen, wat men mag: schoon het strijd kost, eer men zoo verre komt. Houd mij niet voor hard, kind!” voegde de drie en zeventigjarige er weder goedig bij; „maar je kunt de rente noodig hebben.”

„Liever een kleedje minder; liever eten noch drinken, dan mijne piano te missen!”

„Dat is dwaasheid,” zeide de oude vrouw, – die van tiktakken had gesproken.

„Ik wil niet, dat zij verkocht worde!” hernam Anne, „het is mjin eenig genoegen!”

„Kind, die wil is te lang gevierd.” Nicht Elsabé en Anne hadden zamen maar veertien dagen omgegaan!

„’t Is eene gedachtenis van mijn vader.”

„Hij had er je betere kunnen nalaten...”

Anne zweeg – de klove gaapte, en Doortje, die dit gesprek, schier zonder eenige tusschenpoozen gevoerd angstig hadgehoord, mogt dien eigen avond nog twee of drie malen beproeven haar aan te vullen, er kwam geene verzoening tot stand.

Nicht Elsabé geloofde ten beste van Anne, geloofde uit pligtbesef te handelen, al was de eerste les wat streng; al zag zij, – we zullen later zien waarom, – bij het laatste woord voorbij, dat de kinderen van Sophie Verburg ook die van Mr. Johannes Arnoldus Graevestein waren, indien die man zelf haar geen doorn in het vleesch was geweest. Anne, van hare zijde, Anne huiverde alreeds van verpligting aan eene vrouw, die dus over haren vader oordeelde; – dat de tiktakster het wel met haar meende, kwam niet eens bij haar op. De schemering viel in, de lamp werd aangestoken; Doortje las naar gewoonte eene preek van Broes, den lievelingsleeraar van nicht Elsabé – maar trots al de scherpzinnigheid der oude vrouw, vond zij den stijl duisterder dan ooit, dewijl het in haar eigen gemoed niet helder was – Anne hield prekenlezen voor huichelarij, en Doortje wenschte naar het: „Amenl”

Iets, waarnaar ik onder ’s mans gehoor nooit heb gewenscht.

Het avondmaal werd door het drietal stroef en stil gebruikt; de zusters wenschten nicht Elsabé goeden nacht; de zusters gingen naar hare ouderwetsche slaapkamer, en alleen waren zij er schoon zamen, toch alleen. Hoe anders dan gister, omstreeks den zelfden tijd! Toen hadden zij gelagchen en geschertst over de vreemde vogelen des behangsels; toen hadden zij den mandarijntjes, in de hoeken des vertreks, de knikkers doen schudden, als waren zij de dartele dochters eener vroegere eeuw geweest, wanneer deze zich vrij gevoelden van baleinen rijglijf en baleinen rok. Den oogenblik van joligheid, waarom gij de meisjes, hoop ik, niet minder acht; een oogenblik, als er bijwijlen komen moesten, zoodra de Graevesteintjes buiten den dampkring van nicht Elsabé waren, die, hoe goed ook, de geschiktste gastvrouw voor alle karakters niet was. Arme zuster! – het onweder, dat Doortje lang reeds had zien opkomen, was uitgeborsten, – voor afleiden bleek de ure voorbij; – wat moest zij doen? – zij peinsde, – ze zweeg. En Anne? Het tijdstip bleek gekomen, waarin zij toonen konde, of de goede voornemens, bij het sterfbed van haren vader opgevat, ernst waren geweest, heilige ernst; – het zou de eerste toets zijn – hoe stond zij dien door? – Daar sloeg Doortje haren blanken arm om de leest der zwijgende; daar zag zij haar zoo hartelijk aan, terwijl zij waagde te vragen: „Was je ook te heftig, Anne?” – al het antwoord dat zij kreeg, waren tranen van spijt; Anne stiet haar van zich; Anne wierp zich op eenen stoel neder. Woede, magtelooze woede, het is waar, maar toch woede, flikkerde die donkere oogen uit, zoodra de brandende droppels waren afgewischt. Toen Doortje haar eene poos had aangestaard, toen deze haar naderde, klonk het dof:

„Ga slapen, Door! ge begrijpt die vrouw niet; ge doet het mij evenmin!” – En Anne ontkleedde zich werktuigelijk; ontkleedde zich weldra rapper; het was of het haar lucht gaf; zoodra zij de bruine lokken ontslagen had van den band, die ze straks bedwong, schudde zij het rijzige hoofd, schudde zij de donkere, golvende haren als van toorn; in haar zelve telde zij de vele grieven op, welke zij tegen nicht Elsabé, tegen Ten Have mogt doen gelden. Veertien dagen lang, verbeeldde zij zich, veertien dagen lang, had zij de luimen der eerste geduldig gevierd; veertien dagen lang had zij zich de beschikkingen van den lesten gelaten getroost – de voogd had haar over den verkoop der piano niet eens geraadpleegd; de verwante had haar in haren vader gegriefd! Zie, als dat de gevolgen waren van geen geld te hebben; als dat de genade, dat de gunst moest heeten, die haar beidden – genade, zij huiverde er van! – dan was het wél, dat zij het nu reeds wist! Alles, wat het zijn mogt, alles liever dan deze. Hoe had zij zoo lang lijdelijk kunnen zijn ? Waarom was zij teruggedeinsd voor een helder bewustzijn van haren toestand ? Faalde het haar dan aan kracht ? Was zij dan niet jong? Er moest iets bevredigends schuilen in de kennis van haar lot: het jagen harer polsen bedaarde, dacht haar; het hijgen harer borst hield op, meende ze; zij kon, om Doortjes wille, wel te bed gaan, – beraden moest ze zich, besluiten zou ze. En al beefde hare hand als een blad, toen zij de nachtkaars ontstak op den ouderwetschen blaker, en al stoven er vonken door zijnen traliekrans in het water, dat er op dreef, toen zij hem van de tafel op den gueridon zette, zij merkte het niet op. En al zag zij er uit als een geest, toen haar blik in den spiegel viel, zij schreef het toe aan „dat helsch leelijke glas,” met zijne bloemen in het verfoeliesel gewerkt, met zijne overkrulzieke lijst.

Eene ure later! Ik wenschte, dat in mijne plaats een schilder u de groep schetste, door de hoofdpeluw der zusters aangeboôn; als het blonde kopje der jongste hem in verzoeking had gebragt eenen kus te stelen, liefelijk als hare wangen bloosden, geestig als het gouden haar zich krulde om den blanken hals, de oudste zou hem weêrhouden, zou hem geboeid hebben door de geestdrift, waarvan haar gelaat glansde, en gij hadt die verrukking gezien – woorden volstaan voor haar niet. – Eene ure later, zeide ik, en Doortje sluimerde, Doortje sluimerde rustig, als eene roos; – schoon het beeld meermalen misbruikt is, heb er vrede mede, zoo het gelukkig gebezigd wordt – Doortje sluimerde benijdenswaardig, want Anne had haren „goeden nacht” ten minste beantwoord; want inniger dan eene poos te voren had het kind nog nooit gebeên; slechte het suizen van engelenwieken strijkt zóó zachtkens de oogleden digt! Anne daarentegen, Anne waakte nog; Anne staarde, bij den schemerschijn der nachtkaars, de saaijen gordijnen uit, maar zag niet de voorwerpen, welke haar in de slaapkamer omringden; maar zag eene opgetogene schare rondom haar, een publiek, dat zij verrukte; dames die zwegen; heeren, die in de handen klapten; een publiek, voor welks toejuichingen zij oor was, louter oor, dewijl deze haar de onafhankelijkheid waarborgden, naar welke zij, in hare mijmering van dat uur, lang had gestreefd; die haar, in haren waan van dat oogenblik, eindelijk ten deel viel. o Het stralende der zege! hoe schoon stond het der edele lijnen van dat anders overernstig gezigt! En echter, de glans dier oogen werd duister; de lach week van den mond; viel het daaraan toe te schrijven, dat Anne verrast werd door het heftige harer verzuchting, die de stilte stoorde – ? door eene onwillekeurige vergelijking van deze met het ademhalen der zuster, aan hare zijde, melodisch-liefelijk, als dat eens kinds? Anne was er in geene stemming toe; een kil vocht brak hare slapen uit; eene huivering, als die der koorts, deed hare leden rillen; zij had zieh voorgespiegeld, wat genots er al in de gave der kunst school, – was de laatste háá ten deel gevallen, ten deel gevallen in genoegzame mate? Kunstenaars, die mij leest, eigenlievend als uwe mededingers u schelden, eigenlievend als gij u zelven misschien bewust zijt te wezen! ieder uwer heeft weleens aan zijn talent getwijfeld, – het is maar eene der schattingen, alle genialiteit opgelegd! – doch als die vreeze u overviel in eene ure van gebrek, in eene ure, dat er harmonie werd vereischt tusschen uw hoofd en uw hart, om in de behoefte van het oogenblik, in het brood voor den dag, te kunnen voorzien, dan eischt ge niet, dat ik u Anne’s schrik breeder schetse: gij gevoelt dien, en wie zou dien beter verstaan dan gij? Het meisje was dien angst, zoomin als een uwer, lang ter prooi; zij was het korter, dan gij het geweest zijt; want zij trad de baan eerst op. Diep gevoelde zij het: zulk een zelfbedrog bestaat er niet, als haar geloof aan aanleg zou geweest zijn voor eene kunst, die zij tot nog toe slechts had liefgehad om haar zelve; waaraan zij eene weelde dank wist, die geen derde begreep. Moeite mogt het haar kosten, eer zij slaagde; moeite zonder voorbeeld; moeite zonder einde; het was niet die, welke haar afschrikte; zou er dan ook geen genot schuilen in het streven naar den lauwer? was het behalen van dezen geen leven waard? Dat er tevens aan het verwerven van den krans schatten konden zijn verknocht, het wvas niet in haar opgekomen, vóór de dood haars vaders haar gevoelen deed, wat geld gold.

De dood haars vaders – de kunstenaresse ging onder in het kind! – Na eene pooze zag zij op Doortje, en wist niet of zij haar benijden of beklagen moest, doch liet de gordijn vallen; – doch vlijde het kloppende hoofd neêr.

Nicht Elsabé deed het nog niet – nicht Elsabé telde de klok der kerk in de buurt twaalf na – nicht Elsabé beloofde zich zelve den volgenden ochtend „te zullen zien”; – maar toen aan het ontbijt dezelfde stroefe stilte had geheerscht, welke gister het avondmaal onderscheidde; toen Anne een paar uren later zich gereed maakte op uit te gaan, toen vond nicht Elisabé het best, „niets” te zeggen, „niets” te doen, – en wij zullen, als ge wilt, Anne vergezellen.

[Hoofdstuk 4]