E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

DE ZUSTERS

[Hoofdstuk 3]

IV.

Eene drokke straat, eene wereld in het klein! Vruchten van het saizoen en voortbrengselen des lands, – vruchten uit verre hemelstreken en voortbrengselen, van het andere halfrond der aarde verrassen er den voetganger bij iederen schred, wisselen zich voor zijnen blik met elke woning af. We gaven, in ruwe omtrekken, de tallooze verscheidenheden van voedsel aan; maar welk kort begrip zou niet vervelend lang worden, wanneer we gewagen wilden van de oneindige gedaanteverwisselingen, waardoor de mode er voorziet in de kleeding der beide geslachten, der verschillende leeftijden, der standen, nog veelvoudiger dan deze? Nooddruft des levens, – behoeften, uit de beschaving geboren – wenschen, in eischen verkeerd, daar overvloed hunne vervulling tot gewoonte maakte – alle worden door die reeks van winkels bevredigd; liever nog, alles, ter bevrediging van deze gevorderd, bieden ze aan. Immers, eene wijle stilstaan, een poos luisterens, eene vraag is genoeg, om het doel dier tentoonstelling te vermoeden, te doorzien; – het schouwspel blijkt maatschappij; in dien gonzenden korf onderscheidt ge de hommels van de bijen; werkzaamheid, die voortbrengt, en weelde, die verteert; – hoe ik u beklagen zoude, als ge meendet, dat ge, met die weinige opmerkingen, het veld hadt afgemaaid! Een drokke straat, eene wereld in het klein! Een andermaal bepale ik misschien uwe aandacht bij de misdrijven, die zij ongestraft plegen ziet; bij het mededoogen, waarvan zij zoo zonderlinge blijken oplevert; thans vrage ik u slechts, welk begrip men zich toch van poezij vormt, als men haar prozaïsch scheldt! Het tooneelstuk is nog niet opgevoerd, dat zulk een aantal van contrasterende karakters tegen elkander doet uitkomen, als de volkshoop gelegenheid geeft te leeren kennen in een woord of wat. Geen wijsgeerig betoog overtuigde me ooit zoo innig van de waarheid, dat de mensch tegelijk de koning der aarde en de slaaf zijner driften is, als een blik op dien drom van mijns gelijken, daar zonder mom voor het gezigt. En wat ik liever nog vermelde, dan de aardige uitspanning en de beschamende les, waarvan ik met een woord sprak, de leerrede is nog niet gehouden, welker toepassing aanschouwelijker voorstelt, dan de straat het te ieder ure doet, dat geld geene onontbeerlijke voorwaarde ie voor geluk; – of Anne Graevestein in eene stemming was geweest om het op te merken!

De Doelensluis af, het Schapenpleintje over, de Kalverstraat ingegaan, had zij ooren noch oogen voor het gewoel en gejoel van de menigte om haar henen; vervuld als zij was van het ontwerp, zich zelve van den dwang haars voogds te ontslaan, zich van alle verpligting aan nicht Elsabé te bevrijden. Er speelde geen glimlachje om hare lippen, bij de ironie op de liefhebberij onzes tijds voor zuilen en zuiltjes, onwillens, onwetend zelfs; in de basterd-gothische pijlers voor een galanteriemagazijn te kijk gezet; en de logenstraffing der theorie, dat de roomsche ritus bevorderlijk zijn zou voor zuiveren smaak in beeldende kunst, door een anders onschuldig boekwinkeltje geleverd, merkte zij niet eens op. Onwillekeurig verried haar stap het gejaagde van haar gemoed; schier was zij niet langer de jonge jufvrouw, die u ruischend voorbijglijdt, die schuchter opziet, die ter nood groet; het scheen, dat de eerste poging, om onafhankelijk te worden, al de vermogens vau haren geest op alechts één punt, rigtte; zij zag rond, zonder te zien; zij had haast.

„Hemel, Anne!” klonk het haar eensklaps in de ooren, terwijl zij Louise Ovens voor zich zag, gereed, uit een der Magasins de soieries et de nouveautés, in een smaakvol koetsje te wippen; – als Anne opgemerkt had, dat de trede was neergelaten, dat het portier openstond, dan ware zij om het rijtuig heengegaan en niet langs de winkelkasten.

„Louise!” hernam zij, verrast, bijna vrolijk; en drukte hartelijk de glacévingertjes; – want al had de blondine nooit tot hare – vertrouwde vriendinnen behoord, de verschijning wekte aangename herinneringen op; – de palfrenier liet den knop des portiers los, en trad een’ voet twee, drie ter zijde, – de meisjes wisselden eenige woorden.

Dáár verschoof een gestalte op de kussens van het koetsje; dáár gluurde een gezigt de ontmoeting der schoolkennissen uit het rijtuig aan; dáár tikte eene hand, zeker louter bij toeval, tegen het voorste regterglas.

„Het is mama!” zeide Louise, Anne met zich troonende, „laat me u presenteren, – mama, jufvrouw Graevestein! – Anne, mama!”

„Louise heeft mij zoo veel van la belle pianiste verteld,” zeide mevrouw Ovens, nadat ze zich zittende had gebogen, „dat ik uw naam had moeten raden, jufvrouw Graevestein! Als ons rijtuig minder désobligeant was, ik zou u een plaatsje aanbieden –”

„Verpligt, mevrouw!” viel Anne in; hoe ongaarne zou ze zich hebben zien brengen, waar zij wezen wilde!

„Maar ik bid u,’ voer mevrouw Ovens voort, „laat deze disgraeieuse receptie u van verdere kennismaking niet afschrikken; we gaan in de volgende week naar buiten – Louise, weet ge, tracteert de harp, – het zoude eene heele acquisitie voor onze société zijn, als u ons eenige dagen.....”

„O mevrouw!” zei Aune, zoo als men het zegt, wanneer men noch aanneemt, noch afslaat.

Pauvre orpheline!” hervatte mevrouw Ovens, „afleiding zal u goed doen; op het land zien wij zeer weinig menschen; uw deuil kan dus geen bezwaar zijn; zeg niet: neen, ma chère! Louise zal er u toe overhalen, als zij u overmorgen eene visite brengt.”

„Ik zou het lang gedaan hebben,” viel Louise in; „maar ik wist niet, of het mevrouw de wed. Ackermaels aangenaam zou wezen.”

„Nicht is in dat opzigt zeer heusch,” deed Anne der oude vrouw regt; „je wist dus, Louise! dat we...?”

„Alles, ma chère!” hernam mevrouw Ovens; „ge hebt meer vrienden dan ge gelooft.”

„U is wel goed, mevrouw! – ik dank u, ik dank u, van harte!” bragt Anne uit; „doch ik vergeet waarlijk waar we zijn,” voegde zij er bij; een paar heeren, naar de Munt slenterende, lorgneerden de scène; „mevrouw Ovens, uwe dienares! – adieu Louise! adieu!”

Sans adieu!” klonk het, „au revoir!” en de palfenier sloeg het portier achter de jonge jufvrouw toe, en wipte op den bok; weg rolden de dames.

Die arme Anne! Ondanks haar zelve, vergeleek ze haar lot met dat van Louise – en echter zou zij, ten prijs der koelheid, deze eigen, met haar willen ruilen? Neen, – nooit! – en met veêrkrachtiger stap ging zij verder, ging den Heiligen Weg op, ging het huis langs, dat weleer de lofzangen der Clarissen hoorde, en dat nu weêgalmt van de verwenschingen der gegijzelden; – eene gevangenis, welke Dickens bezoeken moest, om haar voor heel Europa ten toon te stellen! – ging het Koningsplein over. Het verbaze u niet, dat hare hand, onder de kap, eensklaps langs hare oogleden gleed. Van verre zag zij het huis haars vaders! In andere stemming plagt zij het jaren lang van die zelfde sluis te onderscheiden; gedachten, als het nooit had gewekt, rezen thans bij haar op; – „voort!” dacht zij, „voort!” – en waartoe u langer opgehouden; waarom ons niet eensklaps met haar op de Baangracht verplaatst, waar zij vroeg: „of hier niet ergens mijnheer Burdach woonde?”

„De muzijkmeester? o ja wel!” antwoordde haar een wijf uit een kelder, waarboven „Water en Vuur” stond te lezen, „ziet ué daar die blompotten voor de ramen staan? daar woont hij;” en terwijl Anne „dankje” zei, en voortging, kwam het wijf den trap op, zette de armen in de zijden, en begon een praatje met de jufvrouw van boven, die in het nachtjak over de onderdeur lag. „Wat moet die bij den oude?” vroeg het water en vuurtje; doch ik spaar u de vriendelijke gissingen, welker aard ieder vermoedt, als ik er bijvoege, dat een gebogchelde schoenmaker, die ze hoorde, terwijl hij in het voorhuis der naaste woning op zijnen driestal zat, der buurtjes toeriep: „Zooals de waard is, betrouwt hij zijn gasten!” De jufvrouw in het nachtjak droop af, ik meen, droop haar kamertje in; „wel, draak! wat let me?” riep het water en vuurtje; maar Anne was reeds buiten het bereik harer stemmen, en ter teekening van de buurt volstaat de toets, Zeven of acht huizen voortgegaan, haalde onze heldin de schel eener onderwoning over, waaruit haar, toen de deur geopend werd, een galm te gemoet klonk, als die eener koperen keel; neen, een geluid als dat van een brullend beest. „Woont hier mijnheer Burdach?” vroeg Anne, ongeloovig; – „boven!” hernam de knaap, die haar open had gedaan, hernam het brutaal, en sloeg haar de deur voor den neus digt, want hij had, op ons tooneel, in zeker stuk eenen brief binnengebragt, en niemand weet welk een hoogen moed het geeft, als men eens op de planken is geweest, als men eens in de houten kast voor het publiek heeft gesproken. „Excuseer,” had Anne gezegd, aangeborene heuschheid verkwistende, en zag thans eerst, dat de woning inderdaad twee ingangen, of, juister gezegd, een’ inen een opgang had. Daar de deur der laatste aanstond, spoedde zij zich de trappen op, zonder het touw aan te raken, dat, naarhet scheen, eene leuning verving.

Op het bordes gekomen, tikte zij tegen de voorkamersdeur, tikte zij andermaal – er werd niet „binnen!” geroepen; maar een hond sloeg aan, – en toch, dat gebas hield op, daar een zoet stemmetje het dier bestrafte; Anne tikte ten derdemale – hond en stem zwegen allebei. Wat zou ze doen? Aan de achterkamer tikken? Maar „de muzijkmeeater woonde, waar de bloempot.ten voor de glazen stonden” – en dies draaide zij den knop van de deur om – het gebas vernieuwde zich niet – dies opende zij die een kiertje; de groote bruine oogen van een lobbes van een’ patrijshond, de blaauwe kijkers van een meisje van een jaar zes of zeven keken haar aan. „Woont mijnheer Burdach hier?” vroeg zij ten derdemale; het kind sprong vertrouwelijk naar haar toe: „ja!” zei de kleine, en trok haar binnen; de hond vlijde zijn’ fraaijen kop op de voorpooten neêr, terwijl hij iedere harer bewegingen bleef gadeslaan. „Paatje komt zoo weêr!” begon het meisje, en zette, zoo goed en kwaad het ging, Anne een stoel, en stond een’ poos aan haren schoot haar aan te zien, vrij, vrolijk ding als ze was – toen sprong zij weder naar den hond in den hoek, en trok hem bij de ooren, en reed op hem rond, als waren ze zamen alleen geweest.

Ondanks de vreemde ontvangst, achtte Anne het niet onwaarschijnlijk, dat de muzijkmeester Burdach er woonde: want men kon én buurt én trap vergeten, om het uitzigt, dat de beide vensters verleenden; want de stoffaadje van het vertrek was eener betere woning waardig. Door het bloemperk van den hangenden tuin henen, zag Anne de kruinen van het geboomte der schans, door eene zomerkoelite zachtkens heen en weêr geschud; zag zij in het verschiet de weiden achter de singels; zag zij aan hare regterhand den omgang van eenen molen, op het bolwerk van de buurt. Het geheel had iets van buiten, hetgeen een man, die zin voor de natuur bezat. aan wien de zuiverste smaak van allen was bedeeld, dien vooal het land, met de afgelegene ligging, met menigerlei ongerijfelijkheid verzoenen kon; vooral in den zomertijd, wanneer de lommer het verval verbergt van schuren en loodsen en stallen, die anders der wijk iets afzigtelijks geven. Een blik op het huisraad overtuigde Anne te meer, dat zij wel zoude doeu eenige oogenblikken te wachten – er lag een groen en grijs geruit tapijt op dlen vloer; er hingen drie vogelkooitjes boven het damspiegeltje; er hingen een paar gezigten van den Rhijn aan de wanden, en mogten de meubelen, het ouderwetsche kabinet vooral, betere dagen hebben gekend, eer de laden miskleurig werden, eer de beslagsieraden hun verguldsel verloren, er stond eene mooije piano in de kamer: Anne’s blik rustte er begeerig op.

Het was, of het kind dien begreep. – „Speel een walsje!” vroeg het zoo vriendelijk, terwijl de teêre handjes beproefden het deksel op te ligten; „ik wals met Caro!”

En wat Anne aan Doortje vóór acht of tien jaren misschien zou hebben geweigerd, willigde zij thans der vreemde kleine gereedelijk in; de handschoenen gleden van de vingers; zij nam plaats op het krukje.

„Caro!” beval het kind. Anne zag spelende om; de patrijshond sprong naar de maat, of het hem lust was, en schoot hij te kort, en stoof hij op zij, dan zette de kleine hem te regt, dan wipte ze over hem heen, in natuurlijke bevalligheid, zonder wedergâ; het meisje gilde het uit van pret.

„Een Strausje!” vroeg het woelwater.

Anne gaf toe; – een dier vervoerende, bedwelmende walzers, welke het Weener volksleven als een’ roes van zinnelijk genot aanschouwelijk maken, ruischte van de snaren, en toch werden het kind en Caro eensklaps in hunne dwarrelvaart gestuit; toch stonden zij eensklaps in schilderachtige, koddige verbazing stil. Midden onder het spel had Anne zich aan de woeste dartelheid der toonen geërgerd, was zij uit de maat van den wals overgesprongen in eene droefgeestige adagio; fantaseerde zij over alles, wat, er in haar gemoed was omgegaan, gedurende de beide weken, dat zij het genot eener piano had ontbeerd. Ik wenschte muzikus te zijn, om u te kunnen vertolken, wat er al uit die toonen sprak: eene herinnering aan hare jeugd, een gebed misschien aan den geest haars vaders! – Burdach’s binnentreden stoorde eensklaps de fantasie.

Er is een tijd geweest, waarin twee blinden de meest gezochte muzijkmeesters der hoofdstad waren; onbeduidend als de bijzonderheid schijnt, licht zij echter den zin onzer grootouders voor spel en zang karakteristiek toe. Elk dier beide onderwijzers was organist eener hervormde kerk; ieder hunner leerde der jeugd psalmen spelen, en gezangen ook, mits het hoofd des huizes nieuwerwetsch genoeg dacht, om deze geen’ godslasterlijken gruwel te achten. Houd de twee blinden voor een oogenblik eens voor typen van het toenmalig onderwijs hier te lande, en toets er zijne strekking aan; onder het vrijgeleide der vroomheid, kwam de kunst het huis in – was het wonder, dat de eene als de andere zich doorgaans in den uitslag harer pogingen zag teleurgesteld? Niemand, die beweren durft, dat het godsdienstig gevoel der natie aa,n de kunst zijne wieken heeft dank te weten; op hare beurt outkent de muzijk dat ze bij ons hervormd kerkgezang ooit dienst deed als priesteresse. Het haperde aan de methode dier meesters, meende zij. Liefelijk, innemend, zich naar de onderscheidene vatbaarheden schikkende, was deze zeker niet, als wij geloof mogeo slaan aan de vertellingen, dat drillen om de ooren tot de alledaagsche straffen behoorden; dat de maat door de vereelte voetzool des onderwijzers op de teenen van den leerling werd getrapt. Het schortte aan gebrek van godsdienst bij de blinden, zei de vroomheid. Zinnelijk, prikkelbaar, levendig ale zij waren (en dat is wél blinden-individualiteit), wil men, dat hunne scherts al de scherpte had van eenen door geene afleiding verstompten, door geene opleiding beschaafden geest, dreven zij den spot met de leerredenen huns tijds, die zij hoorden tot vervelens toe. We zijn de meesters hard gevallen, – lag de helft der schuld niet bij de leerlingen? Helaas! de behoudende partij van het laatst der achttiende eeuw te onzent was alles slechts ten halve; – ik wil er geen borg voor blijven, dat beide blinden prinsgezinden waren, dat er niet één patriot onder hen school; – maar in allen gevalle, zoo veel is zeker, dat de oranjeklanten, die hun de hand boven het hoofd hielden, het loffelijk vonden,partij te trekken voor het geloof, tot van die misdeelden toe; – dat er van liefde voor de muzijk weinig sprake was, en nog minder meenens. Anders hadden die twee meesters, mannen van talent, als men ons hen afschilderde, ten minste de kern van een muzikaal publiek moeten vormen; – anders hadden de orgelconcerten – door hun voorbeeld ook in andere steden in zwang gebragt – herinneringen moeten nalaten en leerlingen opwekken; – andere moesten we ons thans voor het minst door eenen volkssmaak in kerkgezang onderscheiden! Gelukkig, dat we u straks vroegen, die beide blinden voor typen van. het onderwijs te houden; immers zonder dat woord zou men ons nageven, dat wij van hen alleen eischten, hetgeen twee en een halve eeuw reformatie ons niet leerden, evenredigheid tusschen middelen en doel, in de verheerlijking Gods, door een waardig gebruik der ons geschonkene stem! Slechts als laatste leermeesters op orgels en orgeltjes – die ons uit de dagen onzer vroegste jeugd, schemerig, in binnenkamers en zalen heugen – slechts als overgangsmannen tot een nieuw tijdvak der muzijk te onzent, behoefde ik hen in deze vlugtige schets.

Gevaarlijker mededingster dan ooit de claveeimbaal was geweest, deed de piano allengs die kabinetten wijken, waaruit de galm door de woning plagt te varen, tot hij den buren in de ooren daverde; – de smaak nam eene andere rigting, door een ander geslacht. Als gij ooit hebt beproefd, dezelfde hoofden om beide speeltuigen te groeperen, dan eischt ge geen bewijs voor de waarheid der laatste stelling. Allonge-paruiken en gekapte mutsen – des noods, en in de dagen des vervals, haarzakken en kornetten rondom een huisorgel, dat gaat! – maar de piano eischt los haar, als de technische term is, gesneden, naar de mode der maand het vroeg, maar zonder poeder; – gekruld of opgestoken, gevlochten of gescheiden, al naar het haar lustte; maar blonde of bruine, maar gitzwarte of goudgele lokken, zoo als de natuur die gaf. Het nieuwe instrument bragt nieuwe muzijk mede en andere meesters. Achterlijk als ons volk in de kunst bleek – vergeleken met den vreemde – waren het uitheemsche, waren het beurtelings Fransche en Duitsche. Zie, als de inheemsche van dien tijd den lof hadden verdiend, hun bijwijlen door onzen volkstrots toegezwaaid, waarom grepen zij dan de gelegenheid niet aan? Toen de muzijk weder de uitspanning onzer beschaafde wereld werd, stond de kans schoon, om de dagen der dochteren van Roemer Visscher te doen herleven! Of men ten minste eene poging hadde beproefd, de vingers onzer jonkvrouwen weder te gewennen aan de gulden snaren der luite van Hooft! Verre van ons, dat wij eensklaps eene nieuwbakken nationale muzijk zouden hebben gewenscht, met uitsluiting van iedere andere – er is een hemelsbreed onderscheid tusschen zulk een’ ongerijmden eisch en het billijk verlangen naar eenige weinige, oorspronkelijke liedjes. „Partant pour la Syrie” mogt aan de orde van den dag zijn geweest, niet louter dewijl Hollands eerste koningin het dichtte, eer zij die kroon droeg, ook dewijl men er talent en gevoel in waardeerde; – „Freut euch des Lebens” mogt weêrklank hebben gevonden, als de gelukkige uitdrukking van menschelijken zin voor vreugde, overal elders even goed te huis, als op de bergen van Zwitserland; – wij, die beide overnamen, die het eene als het andere speelden en zongen, wij zouden ook onze wenschen, ook ons lief en leed van dien tijd, door toon en klank hebben veraanschouwelijkt; – ach! de blijken, dat wij het deden, waar zijn ze? – Laat hooren, wat u heugt, – ik wil boete doen, zoo ik onregt deed; maar beroep u tegenover de honderde bewijzen van navolging, welke ik boven de aangehaalde zou kunnen bijbrengen, niet op een paar oorspronkelijke volksliederen, te lang om ze uit te zingen, en daardoor reeds hun eigen vonnis wijzende – iedere zang hebbe iets van eenen zucht! – De piano begon te heerschen, zeiden we, en Fransche en Duitsche meesters met haar – doch het leed niet lang, of de oude stamverwantschap deed zich zegevierend gelden in de liefde, welke de kunst van het laatste volk te onzent boven die van het eerste verwierf; Burdach – doch behoef ik u nog te zeggen, tot welke school hij behoorde, Germaansch als zijn naam u reeds in de ooren klonk?

Vijf en dertig jaren lang had hij reeds onder ons gewoond; vijf en dertig jaren lang les gegeven op den ochtend, dat hij Anne te zijnent verraste; en krachtig krulde het grijze haar nog langs zijne slapen, al was de kruin in het laatste tiental kaal geworden van verdriet. Sprekende tegenstelling dier afzigtelijke blinden, op welke de kunst, welker doel harmonie is, schier geenerlei invloed uitoefent, wat voorkomen en gebaren betreft; boeiden zijne donkerblaauwe oogen u, door den weemoed, waarin zij dreven, door den glans, die er bijwijlen uit lichtte; bewezen zijne gestalte en zijn gang, dat de zin voor het welvoegelijke slechts eene andere openbaring van dien voor het welluidende is. Innemend was „de oude”; innemend tot u liefwordens toe, te meer welligt, daar hij niets van dat kruipend-vleijende had, waarmede zich zoo vele zijner landgenooten „den reichen Holländern empfehlen.” Burdach verzekerde zijnen leerlingen nooit, dat het oord, waarin hij de wijk had genomen, toen sein Landesherr alles behalve landsväterlich, de jeugd zijner staten voor vreemd goud veilde, hem dierbaar was geworden, dierbaarder misschien dan zijn geboortegrond; en echter twijfelde geen enkele van deze er aan; echter was ieder hunner er van overtuigd. Burdach stofte nimmer op zijne liefde voor de kunst, aan welke hij zijn brood was verschuldigd; maar zoo de muzijk van balletten, door de blinden op clavecimbaal of piano achtergelaten, waar hij les gaf, plaats had gemaakt voor die van Mozart; zoo eenige zijner discipelen, ten gevolge zijner leidmg, Beethoven bestudeerden, Beethoven begonnen te begrijpen, dan gaf hij zich zelven in stilte de getuigenis, dat hij aan hun onderwijs zijn leven niet vergeefs had gewijd; dan geloofde hij zich te mogen vleijen, dat zijne pogiugen voor de kunst, vroeger of later, vrucht zouden dragen. Anne Graevestein – want onze inleiding dreigt geen einde te nemen – Anne Graevestein behoorde tot die weinige gunstelingen, van welke hij hooge verwachting had – met het kind op de knie, verzekerde de grijze haar, hoe zeer het bezoek hem verheugde.

„Ach, mijnheer Burdach!” hernam Anne, „het is geene contravisite voor de condoleantie .mij door u gebragt; ik kom tot u, dewijl ge toen zoo hartelijk met mij spraakt; dewijl gij altijd zoo welwillend voor mij geweest zijt. Ik heb raad noodig, den raad van een’ kunstvriend; daarom wende ik mij tot u.....”

Und bist mir willkommen!” viel hij goedig in, en verbeidde wat Anne verder zeggen zou. Anne aarzelde. – „Vader, mijnheer Burdach,” begon zij, en een blosje tintte de anders bleeke wangen; „vader was niet rijk!” gelukkig dat aan Graevestein het hooren der verzuchting was gespaard, welke de bekentenis haar kostte; „het is waarschijnlijk, dat wij iets zullen moeten doen.”

„En gij denkt les te geven, jufvrouw Graevestein?” kwam de grijsaard haar voor op even eerbiedigen toon, als hij plagt te bezigen, wanneer hij enkele malen ten disch haars vaders had aangezeten – Anne greep er moed door; Anne vroeg hem, of hij geloofde, dat zij aanleg genoeg bezat, om door strengere studie in de kunst te slagen. –

„Strengere studie?” herhaalde hij, glimlagchende, „als iemand zich ooit gewacht heeft zijnen leerlingen van b te spreken, eer zij a meester waren, dan deed ik het – en nu ik mij zelven geprezen, neen, regt heb gedaan, zie ik niet in, waarom ik aarzelen zou, het ook u te doen. Ge hebt er nooit naar gestreefd, in de kunst sterker te schijnen dan ge waart, jufvrouw Graevestein! – ik vergunde u te fantaseren; Sie componirten zuweilen recht genialisch; strengere studie! – Eene handleiding tot onderwijs is van harte tot uwe dienst, en ik beloof u, dat zich niemand over u beklagen zal, – maar....”

Anne zag hem aan, sprakeloos aan; – doch hare regterhand, die op de toetsen der piano rustte, aan welke zij straks had gespeeld, verried wat er in haar gemoed omging, dobberende. tueschen hoop en vrees; hoe snel zij de vingers van het speeltuig naar zich toetrok, de snaren trilden, zoo zeer hadden ze gebeefd.

Sie sind nervenschwach, jufvrouw Graevestein!” hernam Burdach; „ik wensehte, dat ik een glas water voor u had.” –

„Och, ga voort,” viel zij in, „uw goede raad zal mij spoedigst doen bedaren.”

„Gij .wilt les geven,” begon de oude op nieuw, „liebes Kind!” zoo noemde hij haar weleer dikwijls, als haar spel hem had verrukt; „ge weet niet wat les geven is! Zie mij zoo vreemd niet aan, als wildet ge mij vragen: „heb ik dan zelve niet „les genomen?” – indien gij eens de enkele der honderd waart geweest, bij wie dat les geven mij lust was, terwijl het bij de overigen last mogt heeten, oadragelijke laat! Judvrouw Graevestein, ik vleije u niet, – ik overdrijve evenmin – het is de vloek onzer kunst in dit land, dat zelfs een genie er van de muzijk niet leven kan, ten zij het zich getrooste, les te geven. Ik spreek niet van de kleine onaangenaamheden, er aan verknocht; onaangenaamheden, voor het gevoel eener vrouw welligt nog, krenkender, dan voor dat van ons mannen, die zich daarover leeren heenzetten: de minachting der dienstbaren, de minachting der ouders, de ontvangst op de voetmat, de ontvangst in eene koude kamer, de bejegening, die u gevoelen doet: „Och, ’t is de meester maar!” – Ein wenig Philosophie, liebes Kind! en wij vereelten für die Umgebung; maar het leeren zelf gaat pijnlijk, zes van de zeven maal. Gij hebt er mij nooit van hooren spreken, ik klage er zelden over, want weinigen verstaan ons; de groote hoop scheldt het: Künstler-Kränklichkeit! Doch zoudt gij gelooven, dat er oogenblikken in mijn leven zijn geweest, waarin ik wenschte, dat ik mijne handen aan den ploeg mogt slaan; dat zij de spade hadden gehanteerd, liever nog, dan langer gedoemd te wezen, der botheid zin voor het schoone in te scherpen – ein wahrer Unsinn! – dan der ijdelheid is staat te stellen, een half uur lang met geleende veêren te schitteren – „als zij dat stukje donderdagavond maar kan, mijnheer!” – die Frau hiesz eine dilettante! Of het hierbij nog bleef; of ge naar de vorderingen der zulken niet beoordeeld, gevonnisd, veroordeeld werdt door een publiek, dat de kunst eene koordedanster acht, die te luider wordt toegejuicht, naar mate zij in grilliger, gewaagder sprongen slaagt; „men kan geen oog houden op zijne vingers!” – Piano-Gaukler, allerletzten Geschmacks!”

„Ergerlijk moet het zijn, mijnheer Burdach!” hernam Anne; „maar als men des daags les heeft gegeven, dan musiceert men des avonds voor zich zelven, eu dat stelt schadeloos!”

„Och! de lente gelooft den herfst niet, als hij haar vertellen wil, dat in de kunst weinig bloesems vruchten worden,” zeide de muzijkmeester in zich zelven, terwijl hij het hoofd schudde, en voegde er tot Anne bij: „in de jeugd, ja, jufvrouw Graevestein! zoolang men het les geven maar middel acht, om een hooger doel te bereiken; bloos er niet om, dat ik uwe gedachte ried; – ik ben ook jong geweest, ik heb ook eerzucht gekend. Om den wille van mijne echtgenoote verloochende, overwon ik haar; – „nein, Hedwig! nein!” zeide hij, zijner verscheidene vrouw gedenkende, en zag op, alsof hij aan de gemeenschap van geesten geloofde, – „es dauert mieh nicht, wir waren glücklich! – Entschuldigen Sie,” begon hij weder tot Anne; „maar als ge concerten geven wilt, leg u dan niet aan den band des lesgevens; neem dan nu uw besluit; ik kan u in drie woorden mijnen raad geven: ga naar Parijs! – doe het hoe eer hoe liever! Conservatoire, École de Musique, hoe die school heeten mag, bezoek haar, – an Empfehlungsschreiben soll ’s ’Dir nicht fehlen, liebes Kind. – Helaas! de bloeitijd der Duitsche kunst, de Duitsche opera – o, wie ich sie hier kannte – is voorbij! – alles moet vlug en vrolijk, of verbazend en vreemd wezen; die Franzosen liefren Ihnen das eine wie das andre. – Gedruisch inplaats van gevoel – overlading in stede van diepte; so will’s die Zeit! Hollandsche, als ge zijt; moet gij het hooren; men zal u bewonderen, als gij uit Parijs terugkeert, al waart ge er ook achteruitgegaan, car vous brillerez! vous brillerez! – Ik ben bitter, meent ge, toch niet, – trots dat het mij deert, Weber te zien wijken voor Auber, und Mozart, der einzige, für Meijerbeer; – ga naar Parijs! Gevormd zult ge er niet worden; ge wierdt het gelukkig in eene andere school; maar wilt ge die vorming voltooid zien, voltooid naar den eisch van onzen tijd, gehe, liebes Kind, und Gott behute Dich!

Een oogenblik stilte volgde; Anne was verrast door den voorslag; Anne voorzag al den tegenstand, dien zij vinden zou; – toen zij voortdurend zwijgen bleef, hernam Burdach:

Verhelen wil ik u niet, jufvrouw Graevestein, dat ik u met geruster harte gaan zag, als ge aanleg hadt voor den zang – de instrumentale muzijk heeft haren schoonsten tijd beleefd; de vokale is de afgod onzer eeuw – es wird nicht lang währen, so giebt es auch hier eine Italienische Oper – dan zullen wij dansen naar de pijpen van Donizetti, o welch eine Zeit! Al zouden zij er met de haren worden bijgesleept, fioritures en roulades waarborgen toejuiching – trillers moeten er zijn, al staat er geen enkele in het stuk! Cent mille francs dans la gorge! – und man ist mächtiger wie Beethoven es je war; – maar de goden zijn regtvaardig, en is het slechts voor een jaar of tien, dan wordt de zanger vergeten; dan is zijn naam een ijdele galm; – het genie heefi toch nog iets overgehouden in de onsterfelijkheid van zijn werk!”

„Paatje!” riep het kind, dat gedurende het gesprek van zijne knie was gewipt, en er weêr op was gesprongen, nadat het eene poos met Caro had gespeeld, „paatje!” riep het, en wekte den grijsaard uit de mijmering, waarin deze verdiept scheen; de zachte handjes streelden de baardige kin.

„Jufvrouw Graevestein!” sprak Burdach ernstig, terwijl zijne fraaije vingers de lokken der kleine werktuigelijk glad streken, „een woord, eer wij scheiden; ik heb tot u gesproken als kunstvriend; ééne waarschuwing, of ik uw vader ware! Gij kiest de baan der kunst! – weet gij, hoe glibberig zij is! Ik heb u gezegd, dat ik mijner eerzucht geweld aandeed, om een huwelijk; ich war glücklich wie Gatte, wie Vater war ich es auch, bis....

Anne had op hare beurt, toen hij eensklaps poosde, van Nervenschwachheit kunnen spreken; doch er schuilt zoo veel meêgevoel in de vrouwelijke borst; maar de smarte eens mans, eens grijsaarde vooral, schijnt zoo groote meêwarigheid te wekken, dat Anne, zonder te spreken, het kind van zijne knie troonde, dat zij het aan haren schoot deed staan.

„De kleine noemt mij paatje!” hernam Burdach, „al is ze mijn kleinkind; – hare moeder stierf toen zij geboren werd! – o jufvrouw Graevestein! – zij had aanleg – aanleg van anderen aard dan den uwen – aanleg voor het tooneel, voor den dans. – Ik vleide mij, dat ik wist, hoe ik haar voor de gevaren dier loopbaan konde behoeden – en toch viel zij – viel door iemand, dien ik vertrouwde, als ware hij mijn zoon geweest! – Gott der Rachelschaudre nicht, liebes Kind!” – hij zweeg eene wijle; hij voer voort: „Ach! de overprikkeling van gevoel vereischt om in de kunst te slagen, de vrije leefwijze, voorwaarde is, stelt de vrouw aan lagen bloot, waarvoor de voortreffelijkste het eerst bezwijkt; – der alte Burdach hat Dich gewarnt – ga naar Parijs, als gij der bedwelming van dien dampkring het hoofd durft biên.”

„Hetdwig!” riep hij; het kind sprong op zijne knie, – en een paar tranen, die de grijze wenkbraauwen verduisterden; rolden langs het blanke voorhoofdje neêr.

„God geve mij licht!” zuchtte Anne.

[Hoofdstuk 5]