E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

DE ZUSTERS

[Hoofdstuk 4]

V.

„Een oog in het zeil te houden, kan geen kwaad,” had de geneesheer tot zijne gade gezegd.

Ongelukkig was hun oudste zoon, een luitenant onzer marine, er bij tegenwoordig geweest.

„Papa!” had de zeerob aangemerkt, „u doet als alle baren; u misbruikt de termen van janmaat.”

„Een oog in ’t zeil houden, Dirk! wat zegt het anders, dan gâslaan, wat koers het schip zet?”

„Ha! ha! alle respect voor mama; doch ik verwed er de eerste rooversjonk de beste onder, die in het land van Winjewanje mijn prijs zal wezen – God betere het; wij maken er geene andere meer! – dat het eene verkenning op vijands kust zal worden, en geene vaart regt door zee.”

„Regt door zee, Dirk? – baar of geen baar, zeg ik u! regt door zee !” –

„Raken we buiten nicht Elsabé’s testament, in Godsnaam, papa!” Het was mogelijk waar, – doch het leed geen twijfel, doch het was zeker, dat doctor Goemans het laatst van alle deviezen, de lievelingsspreuk zijns zoons zou hebben gekozen: regt door zee! Er stond geen wapen, geene letter zelfs, op het rijtuigje, dat in de eerste dezer schetsen een oogenblik werd gezien; maar als er vóór jaren op de hooge koets van doctor Goemans regt door zee had gestaan, dan geloof ik, dat de buszieken het hadden uitgewischt, hoe weinige malen zij ook in de achterwijken verdwaalde. Regt door zee: en hij was de gunsteling geworden van epicuristen, die aan verstoppingen leden, en toch wilden blijven voortsmullen; – van ingebeelde zieken, die geneesmiddelen eischten, doch tot geen’ prijs beteren wilden; – van oude heeren, die weder heel jong wilden worden; – van dames, die maar niet oud wilden zijn; regt door zee, en zulk eene praktijk, zóó verkregen! Er zijn misschien physiologen onder mijne lezers, die zich, verbazen, hoe een vader als deze een’ zoon hebben kon als den zeerob – ik maak hun scepticisme mijn compliment – moge de poging, om de onwaarschijnlijkheid te doen ophouden, den overigen niet verdrieten! Ook doctor Goemans was jong geweeet – dat wil in zijn edelsten zin zeggen, hij had van ijver geblaakt; ook doctor (Goemans was student geweest, – verklaar het als, boven, hij had aan de wetenschap geloofd! Drie jaren na zijne afscheidspartij aan de Alma mater, behoefde hij zich voor de beste zijner akademiekennissen niet te schamen. Het laatste dier drie tijdkringen was het eerste van zijn huwelijk, was dat der geboorte van zijnen soon; – telkenmale als sedert de wieg weêr moest, worden geschommeld, was hij trager geworden in opmerking en onderzoek, vlugger in Slenter en sleur. „Mundus vult decipi” – er zijn vele doctor Goemans in de wereld! Aanschellen – kwaalvragen – polsvoelen – tongkijken – opschrijven – hoedligten, in vier, ten hoogste vijf minuten bij de menigte, bleek het ware middel, om rjk te worden, mits men de luimen van de toongevers der maatschappij wist te vieren, mits men water in den wijn wist te doen. Doctor Goemans streefde naar savoir vivre, routine, tact, en de kunstjes loonden beter dan de kennis, de wereldwijsheid anders dan de wetenschap. Geweken was de wolk, die een oogenblik zijnen huiselijken hemel had verdonkerd. Als hij moede was gepraktiseerd, moê gereden misschien, dan lachten hem de geneugten toe, aan weelde verknocht. Slechts het opwassen, slechts de ontwikkeling van zijnen Dirk stoorde nog soms de sluimering, waaraan zijn geweten allengs gewoon raakte; de knaap vroeg zoo onophoudelijk hoe! de knaap vroeg van alles reden; – hij deed het bijwijlen, als de kwaal van dezen of genen lijder geweigerd had te zwichten voor de tooverbezwering eener reeks van recepten, door het gebruik geijkt. Doch was de natuur niet bestemd, om voor allen, ook voor artsen, de geheimzinnige Isis te blijven? Wel waren de oude Egyptenaren wijs geweest, toen zij den sluijer verhieven tot symbool. En weder rolde de koets van doctor Goemans, van ’s ochtends vroeg tot ’s avond laat; en weder genazen zijne kranken; de diagnosis der overlevering werd voor hem met iederen dag meer bevestigd, door de oppervlakkige observatie, waaraan hij zich van tijd tot tijd nog bezondigde: man van uitgebreide, van allengs gezuiverde praktijk, zag hij zieh, door den invloed van vrienden, tot lid onzer meeste geleerde genootschappen benoemd, werd hij in het bestuur van onderscheidene gestichten geroepen. Er zijn beteren, dan doctor Goemans, in vergaderingen van dien aard – veroesterd. Eene pijp, een glas wijn, een praatje, wat kwaad steekt er in? – men moet monomaan zijn, op het punt van het nicotiaansche kruid; – men moet muzelman zijn, in afkeer van het druivensap; – men moet menschenhater’ zijn, als men die drie dingen niet mag! – en voor mij, ik gun allen besturen in ons landje een praatje, een glas wijn en eene pijp, mits de slotsom der werkzaamheden iets meer zij, dan dat de tabak in asch is verkeerd, dan dat de flesch is leêggedronken, dan dat de tijd is verbeuzeld. O prijsvragen uitschrijvende maatsehappijen! doet het toch eindelijk eens die: „welke de ooraaak zijn mag, dat zes of zeven mannen in commissie minder zijn dan één man alleen?” voor een overtuigend opstel, en andere bekroont gij niet, beloof ik u eene monster-medaille! Wie zou niet gaarne zijn penninksken bijdragen, om onzen vernuften, om den verdienstelijksten onder deze, niet langer eene verontschuldiging te laten voor de versnippering van hun leven, voor de verlamming hunner kracht? Indien gij het eerder hadt gedaan, doctor Goemans zou één’ doorn in het vleesch minder hebben gekend! – ik vertelde zijne historie nog maar ten halve. Dirk de vraag-al was Dirk de flap-uit geworden, – karakters als het zijne, had de vader gezegd, passen slechts op zee, en – zeldzaam gelukkige overeenstemming! – de jonge heer wijdde zich even gaarne het goedronde beroep toe, als de oude heer hem’ in de gelegenheid stelde, naar Medemblik te gaan. Bevrijd van den last, scheen het een jaar vier, vijf, of onze geneesheer het goede der aarde in volle mate genieten zou, – geluk binnen’shuis, zijne overige kinderen waren allergezeggelijkst, – gezag er buiten, tien, twaalfderlei praesidiums in ééne week, – eene winstgevende praktijk, eene gevestigde reputatie; wat bedoelde ik toch toen ik van eene weedoende wonde sprak? Spoedig tot luitenant benoemd, daar hij zich als adelborst op een paar kruistogten in de Oostindiën loffelijk onderscheidde, school in Dirk de oorzaak zijner smarte niet. Voor des vaders bereidwilligheid om allerlei inrigtingen te bevorderen, – de zin is nevelachtig als de zaak, – werd aan dezen eene ridderorde beloofd – in de reden waarom zij uitbleef, steekt het geheim. Er was een kreet opgegaan, „een kreet van kwâjongens,” zei doctor Goemans, dat alles geen goud bleek, wat te onzent in de geneeskunst blonk, en – trots de enkele bewijzen van overhaasting in dat oordeel, van vergissing in de feiten, tot staving dier verwijten bijgebragt, en welke den aanvallers door de aangevallenen, „comme de raison,” als zoo vele gruwelen op het geweten werden gelaân, – de beschuldiging zelve viel ook door doctor Goemans niet te ontzenuwen. Toch moest er iets worden beproefd, en de gegispte gebreken in hunne waarde of onwaarde daargelaten, als de twijfelaarsterm is, was niets gemakkelijker, seheen niets geradener, dan het doel dier vitters verdacht te maken bij de goê gemeente, welke vreemd had opgehoord, dat zoo vele verkeerdheden werden gestraft, noch geboet. IJdelheid – groot genoeg om geen verzuim in den vorm te kunnen vergeven, uit liefde voor de wetenschap; – traagheid – die de koorts op het lijf kreeg, bij de gedachte aan den omslag, waarmede onderzoek gepaard gaat; – botheid – die niet wist, waartoe de wind woei, – het doorluchtig driemanschap in alle tijden, van alle hervorming afkeerig, sloeg de handen meen, en doctor Goemans werd er in opgenomen als bondgenoot. Weldra ging de sprake van ondankbaarheid voor genoten onderwijs; – de hedendaagsche Pallas eischte van hare priesteren grijze haren, zoo als de Apollo des verledens de eerstelingen van den baard; alle jeugd stak vol aanmatiging, verwaandheid, betweterij; menig hoogleeraar schikte zijne toga in statelijke plooijen, en sprak: Et tu, Brute!” Een paar Fransche vaandels, welke honderd malen aan flarden geschoten, toch in iederen strijd weder spikspeldernieuw moeten heeten, werden gezwaaid: nul n’aura de l’esprit en ôte-toi de là, spreuken, die zelfs den letterzetter verdrieten, en waarom ik ze, uit deernis met den mijnen, maar niet voltooijen zal, moesten nog eens worden te pas gebragt; – doctor Goemans zelf vatte de pen op. En echter, hoe dapper hij zich kweet, in stilte verwenschte hij de uren, waarin hij iederen zijner presidentshamers zoo gretig had aangegrepen; – wat ik u bidden mag, ken daarom onzen man geene gewetensbezwaren toe. Ongeduldig, grimmig zelfs, vroeg hij zich af, wat hij gewonnen had bij de uitoefening des gezags, dat hem weleer zoo begeerlijk scheen, dat hem thans zoo bitter werd verweten? De honoraria, de emolumenten, aan die betrekkingen verknocht, waren weinige of geene geweest: – de diners, de collations? – mogten ze naam hebben, had hij die niet driedubbel, door den tijd, dien zij kostten, betaald? O wat was het publiek ondankbaar, dat die opofferingen van doctor Goemans niet schatten wilde! – door welken duivel werd de jongere school toch bezeten, om niet te dulden, dat men iets deed dan met al zijne magt? Hij zelf was ook zoo geweest, maar de wereld had hem wel anders doen worden; intusschen, doctor Goemans bekende het zich in stilte, het leed langer bij hen, dan het bij hem had gedaan! En wat het ergste der jammeren was, die aankomende medici, welke geene partij kozen, welke schenen het de zijne te doen, die mogt hij nog het minst van alle. Waarlijk, de man van het schrapje, de man, die niet regt door zee ging, was de eerste, om hen door te zien!

Vefgiffenis voor den langen omweg, dien ik u maken deed, om de familie Goemans ten huize van mevrouw de weduwe Ackermaels te brengen, aan welke zij eenen graad nader dan de Graevesteintjes was verwant, schoon op hare beurt ook te verre, om zich onvoorwaardelijke erfgenamen te beschouwen. Ge moogt zelven voorstellen, welk eene onaangename verrassing het voor onzen geneesheer was geweest, toen hij op een der wekelijksche bezoeken, welke hij ongevergd bij de oude vrouw kwam afleggen, de dochters van wijlen zijnen patient bij nicht Elsabé als concurrenten aantrof. Mr. Johannes Arnoldus Graevestein, niet rijk, was eene kleine teleurstelling geweest. Een enkele dubieuse post, ééne non-valeur meer, maakte weinig uit, schoon geld hem hoe langer hoe liever werd; Anne en Doortje daarentegen, opgenomen in de woning met de mooije spiegelglazen, hielden de waardige echtgenooten eenen halven nacht uit den slaap. A mauvais jeu bonne mine; mevrouw Goemans zou er, eenige dagen na ons laatste hoofdstuk, eens weder eene visite maken; het doel van deze werd u in den aanvang van dit verklaard. En nu zie ik mij verpligt, u nogmaals vergiffenis te vragen, daar ik vrees, dat het tooneel niet aan uwe verwachting zal voldoen, dewijl de groep, die ge in gedachten reeds voor u ziet, veel – te veel belooft. Immers, die bonte kring van velerlei leeftijd; de drie en zeventigjarige nicht Elsabé, in haren leuningstoel, de hoofdpersone; de zusters op eenigen afstand aan hare zijde; mevrouw Goemans tegenover haar; Dirk, die zijne mama geleidde, ijdel als ze was op de opmerkzaamheid, die een zeeofficier nog te onzent trekt, laatste hulde aan de gevallene grootheid! Dirk staande en gaande – immers, zulk een kring schijnt een belangrijk gesprek te waarborgen. En echter, al was er onderscheid van jaren, van levensbeschouwing, vooral bij de vrouwen het onfeilbaarste middel tegen verveling, ge zult weinig hooren; mijn zeerob was niet de eenige chapeau. Opdat het geene wonderspreuk schijne, zij hadden er Ten Have aaagetroffen, in conferentie met nicht Elsabé en de zusjes; de oude vrouw kon geen „niet thuis” geven, wegens haar been; de oude vrouw vergunde elk, die moeite nam haar te komen zien, te harent „uit te blazen of warm te worden,” naar het zomer of winter was; en mevrouw Goemans had het zwak, „dat zij altijd den wil wilde hebben van de reis.” Ongelegen als zij gevoelden, dat zij kwamen, waren zij blijven zitten, tot – raad eens – maar gij kent den doctor nog voor geen vierde, als gij niet gist, dat deze er zijne bezoeken naar had geschikt, om op het uur van het bezoek zijner vrouw voor de deur van nicht Elsabé stil te houden.

Hij zat er met de overigen; hij had alle nieuwtjes van den dag verteld; zijne gade verzuimde op te merken, dat hij met de vingers op zijne gouden snuifdoos tikte. Het was een teeken, dat zij anders volkomen verstond.

„Mama!” zei, een nufje, dat de eer had dochter van mijnheer en mevrouw Goemans te zijn, dat ik over het hoofd heb gezien, in mijne optelling der gasten, – geen groot vergrijp, – „mama!” zei ze, toen papa, ongeduldig, andermaal tikte, „als we ’t nicht maar niet lastig maken, op hare jaren.” –

„De jongste schepen,” gaf Dirk haar de laag.

„Drie en zeventig, Betje! drie en zeventig,” hernam de oude vrouw, en keek den kring eens rond, wat de wenschers naar hare erfenis zeggen zouden; „maar te drok is ’t mij hier niet.”

Anne hoorde het niet eens, of was zich bewust tot het vorige onbeduidende gesprek weinig te hebben bijgedragen, en liet dus het woord onopgemerkt voorbijgaan; doch doctor Goemans wipte „met uwe permissie, jufvrouw!” haar voorbij, om der weduwe Ackermaels den pols te voelen.

„Dat zoo laat mogelijk, neef!” zei de oude lagchende; – „eerst over een jaar of tien, als God het wil!” – en de zonderlinge vrouw had er Doortje te liever om, toen zij, in het spiegelkabinet, hetgeen tegenover haren fauteuil stond, gewaar werd, hoe deze oprees, om den bespiedenden blik te ontgaan, dien mevrouw Goemans bij de laatste woorden op haar vestte.

„Zoo meende ik het niet, nicht!” zei het nufje, om toch iets te zeggen.

„Ik geloof het wel, kind! maar nu het gesprek toch eenmaal op mijn persoontje geraakt is, Dirk! je hadt me in geen jaar twee, drie gezien; vondt je verleden week, dat je aan mij hadt gewonnen of verloren?”

Mevrouw Goemans blikte haren zoon aan met een paar oogen, die in staat zouden zijn geweest, menigeen’ te verschrikken: maar de borst, die voor geene kris was teruggedeiosd, gaf om

hunne bezwering niet.

„Verloren, nicht!” zei de zeerob, zonder aarzelen, „u is nog veel magerder geworden,”

„Uitdroogen is op uwen leeflijd een goed teeken,” pleisterde de medicus.

„Als ’t hart het maar niet doet,” hernam nicht Elsabé; „tot nog toe heb je ’t niet te vreezen, Dirk! ik heb menigmaal aan je gedacht.”

„En ik eens uwe gezondheid gedronken,” zei de luitenant, „zoo als ik het nu andermaal doe; maar toen deden al de officieren van de Juno mij bescheid.” –

„Laat hooren, jongen! waarom,” lachte de oude.

„Och, nicht!” viel mevrouw Goemans in, „die scheepshistories zijn zoo ruw; ze duren zoo lang.”

„Een kwartiertje heeft u nog wel tijd, niet waar, mijnheer Ten Have?” vroeg de weduwe Ackermaels, en de voogd boog zich toestemmende. „Vertel op, Dirk!”

„Ik zal het kort maken, nicht! Eene zwarte prinses had zin in mijne epauletten – en in mij op den koop toe. – Ik zeg eene prinses, want dat geeft ongeveer eene gedachte van haren rijkdom – de geheele ekwipaadje plaagde mij met de schrikkeljaars vrijerij. ’s Middags, aan tafel, begon, waratje, de schout-bij-nacht er ook van: „Jongen!” zei hij, „schop je fortuin toch niet met voeten – in onze marine kun je je leven lang luitenant blijven; als zij mij aanhaalde, wie weet, of ik. geen Nabob wierd!” De man is ongetrouwd, nicht! – „Goemans! waarom wil je niet?” – „Om twee redenen,” zeide ik, „ten eerste, er zijn in Holland nog mooije meisjes, ook voor een’ luitenant!” – hij zag Doortje eens aan – „alle mooije meisjes werden gedronken, dat begrijpt u; ten tweede,” zei ik, „ten tweede heb ik nog eene nicht!”...

„Dirk!” stiet doctor Goemans hem op de teenen.

„Eene nicht die mij eene ton meêgeeft, als ik een huwelijk doe, niet om de duit – nicht Elsabé! uw lange leven! al de officieren dronken het meê!”

Mevrouw Goemans veegde zich het angstzweet van het voorhoofd, terwijl de overige gasten lachten, tot Anne toe.

„En nu kom je me je engagement vertellen?” vroeg de oude.

„Nog niet, nicht! maar ’t is op til.”

En de schalk keek weer naar Doortje.

„Waarlijk, we moeten gaan,” zei mevrouw Goemans; de nuf, die bij de zwarte prinses eene kleur had gekregen, stond op, als mama.

„U heeft nu alle dagen gezelschap,” meesmuilde het ding tot de weduwe Aekermaels.

„U doet er een goed werk aan, nicht!” zei mevrouw Goemans.

Anne beet zich op de lippen.

„Pietje!” zoo heette de gade des geneesheers; „Pietje! je bent half paapsch met je goede werken,” weerde nicht Elsabé den onkieschen lof af; – „Dirk! tot de eer van je dierbaarste te zien,” schertste zij, toen ze den zeerob ten afseheid de hand reikte.

Doctor Goemans speelde den edelmoedige; half hoorbaar verzekerde hij Ten Have, dat hij geene rekening had in te leveren; „om de omstandigheden,” zei hij, en zag de zusters aan, „haal ik er gaarne de pen door.” –

„Dat behoeft niet,” hernam de voogd, terwijl zijn voorhoofd zich fronsde, „ik was vertrouwder vriend van Graevestein dan u....”

„Zoo als u wil, mijnheer Ten Have! maar haast heeft het niet,” en hij herhaalde aan nicht Elsabé de dienstaanbieding, waarmede hij hare woning plagt’ te verlaten: „u weet, het is beter in tijds dan....”

„ Te laat?” glimlaebte. mevrouw Aekermaels, een drie en zeventig jaren, neef!”

Ten Have was beleefd genoeg, de familie en den doctor uit te laten; de vrouw dee huizes trapte met den vluggen voet op de schel. „Daatje!” zei ze, „zet die stoelen ter zij, en neem die glaasjes weg;” een omzien later was alles in orde; de conferentie kon worden hervat.

„Anne! ga voort, als gij wilt,” wenkte mevrouw Ackermaels.

„Nicht Elsabé, mijnheer Ten Have!” begon deze, „zoo als ik straks zeide ik moet den verkoop mijner piano goedkeuren,, al ware ik er liever over geraadpleegd – ik begrijp volkomen, dat we niet genoeg zullen overhouden, om van onze rente te kunnen leven; – ik ben bereid, ik verlang te beproeven wat in mijne magt staat. Sedert het eerste, ik hoop ook het laatste, verschil met nicht Elsabé, heb ik vrienden geraadpleegd, die mij zeggen, dat ik door de muzijk in staat zal zijn...”

Mevrouw Ackermaels zette groote oogen op, doch viel het meisje niet in de rede.

„Onafhankelijk te worden,” ging Anne voort, „als ik een half jaar te Parijs mijne studien kan voltooijen. Mijnheer Ten Have, ik vrage u als voogd, nicht Elsabé, u als vriendin, die zich over Doortje...”

Maar zij mogt den zin niet ten einde brengen: „Lieve Hemel!” riep de vrouw des huizes, „de muzijk – een halfjaar in Parijs – hoe komt het in uwe heraens op?”

Ten Have vergunde der verbazing haren loop. „Jufvrouw Anne,” begon hij, toen mevrouw Ackermaels zweeg, „ik zou kunnen volstaan met mijne toestemming te weigeren; ik wil beproeven u te overtuigen van het onvoorzigtige van uwen wensch. Welligt zijn onze karakters niet geschikt, om elkander te verstaan; gij zijt hartstogtelijk, ik ben beredeneerd; doch uw vader heeft mij de voogdij vertrouwd; welke geschiktheid me ook tot die taak ontbreke, ik meen het wèl met u.”

Voor eenen oppervlakkigen toeschouwer zou Anne de bedaarde, Ten Have de aangedane zijn geweest, zoo roerloos luisterde de eerste toe, zoo bewogen was de stem van den tweede.

„Ik heb uwen vader nooit de bekommering verzwegen, welke de wijze waarop hij u opvoedde, mij inboezemde, – al moest ik, ongehuwd als ik ben” – (de man glimlachte weemoedig) „mij met de opmerking vergenoegen. Bedrogen; jufvrouw Anne! bedrogen heb ik mij in u niet. Ongeschikt voor de werkelijke wereld,als ik u beschouwde, – vergeef mij, de waarheid wondt, maar niet om wee te doen, – vleide ik mij eehter, dat de schok van het verlies u wakker zou schudden; dat ge uwen toestand zoudt leeren inzien; dat ge ten minste nicht Elsabé’s – mevrouw Ackermaels! houd mij de gemeenzaamheid ten goede – dat ge nichts en mijn besluit zoudt hebben geeerbiedigd!” –

„Mijne piano!” borst Anne uit.

„Het was slechts eene proef, of ge een offer zoudt kunnen, zoudt willen brengen,” voegde de voogd er bij, en poosde.

Nicht Elsabé merkte op, dat Doortje de oogen vol tranen schoten, en laakte het niet, – want haar zelve had de toets, in den slapeloozen nacht, wel wat wreed geschenen, Anne zag Ten Have aan, of zij zeggen wilde: „Harde man!” – doch geen woord kwam over hare lippen.

„Er is karakter, ik erken het,” hernam de voogd; „er is karakter in de wijze, waarop gij u na de weigering gedroegt, al is het een karakter, dat ik beklaag in eene vrouw. Anne! zoo waar als uw vader mijn vriend was, stel die reize, stel die zucht naar roem uit uw hoofd; honderd kansen tegen ééne, dat gij niet slaagt, en wat zou u dan, – verondersteld dat ik dwaas genoeg ware uwen wensch in te willigen, – wat zou u dan bewaren in allerlei gevaar?”

„Mijn karakter,” hernam Anne, en het viel niet te loochenen, dat Ten Have ditmaal met zijne eigene wapens geslagen was.

Doortje leunde op den leuningstoel van nicht Elsabé. „Mag ik?” vroeg ze.

„Spreek, kind,” antwoordde de oude, „waarom zoudt ge niet?”

„Och, ik ben nog zoo jong,” zei ze; „maar, mijnheer Ten Have, ik ken mijne zuster misschien beter dan u het doet – het leven, dat u haar aanraadt, lijkt haar niet; als het mogelijk is, dat zij het door de reis naar Parija in de muzijk verder brengt, laat haar gaan! Wij hebben geen regt van beschikkiag, zegt u, over het weinige, dat vader ons naliet; maar ik zal me iedere betrekking getroosten, die nicht goedkeurt, als die verdienste mag bijdragen, om er haar toe in staat te stellen...”

„Goed kind!” zei Ten Have; Anne drukte hartstogtelijk hare hand.

„Door,” getuigde mevrouw Ackermaels, „eer hebbe je harte! maar geloof je dan niet, dat ik zeggen zou: „daar heb je reisgeld!” als ik het oorbaar achtte, dat de dochter van Sophie Verburg de wereld rondzwierf, als eene reizende kunstenares, als een tiktakster, als zoo’n madam?”

Anne lachte onwillekeurig; – Doortje beriep zich op mijnheer Ten Have, of het geen middel was, om onafhankelijk, om beroemd te worden?”

„Beroemde vrouwen zijn beroerde vrouwen!” voer nicht Elsabé in haren ijver uit, en voegde er verstandiger bij: „en wat die onafhankelijkheid betreft, afhankelijk zijn we allen van God! en zij, die gelooft, dat zijne liefde ons lot regelt, die is gelukkig – ik wil zeggen, getroost, – in welken stand Hij haar plaatste; die laat den man de wereld, die vergenoegt zich met het huis!”

Anne was te fier, om te zeggen: „eerst een huis hebben;” Anne waagde een wanhopig middel, door een terrein te betreden, waarop nicht Elsabé onoverwinlijk was. „Maar ik zie niet,” zei ze, „wat zonde er in...”

„Juffertje t” hernam mevrouw Ackermaels, „laat ons daar een speldje bij steken; ik heb u eens gegriefd in uwen vader; ik heb er berouw over gevoeld; maar als ik bedenk, hoe de godsdienst uw gemoed had kunnen, had moeten temperen, dan zou ik u welligt op nieuw zeer doen...”

Helaas! het was eene grieve tegen de nagedachtenis van Mr. Johannes Arnoldus Graevestein, die niet uit den weg te ruimen viel; tot lidmaten eener gemeente had hij zijne kinderen doen aannemen, maar er zich weinig aan laten gelegen zijn, maar er schier nooit naar gevraagd, of dat geloof haar diêr was geworden, als gids door dit leven, wat haar wedervaren mogt. Nicht Elsabé had het, in hare avondgesprekken met de meisjes, eerder gevoeld dan begrepen; „onkruid en tarwe schijnen in die hartea opgewassen, naar de bodem ze voortbragt; de hand eens hoveniers bespeure ik niet.” Inderdaad, het hooghartige van Anne was zoomin door de aanneming gewijzigd, als het demoedige van Doortje er het gevolg van heeten mogt; de waarheden waren den hoofden ingeprent, waren den harten nog vreemd. „Als het lijden die heiligt aan heur gemoed, dan zal de armoede haar gewin zijn,” was nicht Elsabé’s woord tot Ten Have geweest” toen deze zijnen vriend over het verzuim niet verdedigen kon, Hij had de gissing gewaagd: „of Graevestein er niet meer belang in zou hebben gesteld, als zijne menschenkennis hem inniger van het opregte onzer volksvroomheid had overtuigd?” De vriend, de wijsgeer, de regter, was door eene oude vrouw beaehaamd geworden. „Veroordeelt een verstandig man, mijnheer Tea Have, veroordeelt die eenig middel, van welken aard ook, om het, misbruik, dat hij er de menigte van maken ziet!” En zij was in den loop des gespreks verder gegaan; – „u, mannen,” had zij gezegd, „gun ik deze of gene wijsbegeerte; schoon de beste van uw geslacht Christenen zijn geweest; maar voor ons vrouwen zij God geprezen, dat Hij zich heeft geopenbaard; wij denken minder, wij voelen meer. En het is niet het verstand, het is het hart, dat in staat stelt tot toewijding, verloochening, opoffering; – man! lees in den Heidelbergschen Catechismus het hoofdstuk: „Van de dankbaarheid” eens, en zeg mij dan, wat geschikter is, om het goede in den mensch te ontwikkelen, mijn geloof of uw” – Nicht Elsabé had in het midden gelaten, welke wijsbegeerte Ten Have er op nahield, maar iederen avond getracht, gemoedelijke godsvrucht bij de meisjes aan te kweeken: haar den invloed van deze op handel en wandel te doen gevoelen; – of zij geslaagd was, daarover moge het vervolg dezer vertelling u vonnis doen wijzen. De stilte, waarmede hare laatste aanmerking was aangehoord, waardoor zij gevolgd was geworden, en welke ik mij voor deze uitweiding ten nutte maakte, die stilte duurde nog voort; de drie en zeventigarige was de eerste, die haar afbrak.

„Kinders!” sprak zij, „zoo als ik tot uwen voogd zeide, toen hij mij voor het eerst over uwe belangen raadpleegde, wat ik voor u doen mag, wil ik voor u doen; maar beraam niet zulke dwaze plannen als die reize naar Parijs! Eene gezelschapsjufvrouw te hebben, eene gouvernante te houden, dat is tegenwoordig aan de orde van den dag; – ontbreekt er u het eene of het andere toe, spreekt, en ik zal er in voorzien. Ik zeg het niet, dewijl ge mij tot last zijt; ik zeg het, dewijl ik in den omgang mijne gebreken heb, dewijl ik sterfelijk ben. Vóór vijftig jaren had ik in uwen toestand eenen winkel begonnen of een school opgerigt – het waren toen eerlijke beroepen, en ik zie niet, dat er nu schande in steekt; maar nog eens, haast u langzaam, zoo als Broes met alle wijzen zegt. Voor vijftig jaren, och! toen was ik niet beter dan gij nu zijt, toen verlangde ik ook naar overvloed; – kinders! ik ben arm geweest, ik ben vermogend geworden; gelooft me, rijkdom is als de zeepbel, van buiten louter schittering, louter leêgte van binnen! En echter, ik mag niet ondankbaar rijn; er is ééne weelde aan vermogen verknocht, die het wenschenswaardig maakt; de mond der Waarheid heeft het gezegd: „het is zaliger te geven, dan te ontvangen!”

En met het gezag, welks uitoefening nicht Elsabé gewoonte was geworden, beval zij, toen Daatje op het gebengel der echel verschenen was:

„Laat Geesje bovenkomen!”

„Anne!” voer zij voort, „luister toe, en vergelijk in gedachten eens menschen met menschen, als gij overmorgen op Bloemendaal zult zijn.”

Geesje, de oude dienstbode van Graevestein, trad binnen, met de zestig achter den rug, die er min of meer door was gekromd. „Wat belieft meviouw?” – kwam wel wat trager, maar nog even onderdanig, over hare lippen, als vóór vijf en dertig jaar. Arme sloof! toen gloeiden die thans gerimpelde, of zij rijpe kersen waren geweest; menig snoeper, die harer verzoeking noode kon weêrstaan; – toen heette zij: „mooije Geesje!” – die hare kans verkeken had, – zeiden de vrijers, welke bij haar een blaauwtje liepen, want gevraagd, dat was zij genoeg.

„Geesje,” zei mevrouw Ackermaels, „zoo als jij gezien hebt, het huishouden van mijne nichtjes gaat uit elkaêr; met Augustus zal de woning te huur worden gezet; tegen November moet alles afgeloopen wezen; uw kameraad heeft al eene andere dienst, hoor ik; hoe sta jij er meê!”

„Slecht, mevrouw!” luidde het antwoord, door eenen zucht bezegeld; „was er maar iemand, die mij hebben wilde, ik zou tegen het werk niet opzien, al ben ik wel zoo vlug niet meer, als toen ué mij op de fremiliedagen voor het groote vuur zag staan, in de keuken van ué zuster.” –

„Een’ heelen tijd geleên, Geesje! toen was je eene mooije meid, maar wat heel kieschkeurig.” –

„Och, mevrouw Ackermaels! het was me zeker niet opgelegd.” –

„Gees! Geeze! Meid!” riep nicht Elsabé, levendig, als ware zij veertig jaren verjongd; „denk je dan, dat het mij niet heugt, dat je vrijer dienst nam, dienst nam voor grof geld, dewijl het met zijne eerlijke ouders achteruit was geloopen; dewijl hun boêl anders aan de kamer zou zijn geweest; denk je, dat het mij niet heugt, hoe lang jij hem weêr hebt verwacht?”

„Elf, twaalf, dertien jaar!” snikte Geeze; „na Waterloo wachtte ik nog.”

„Denk je niet, dat het mij heugt, hoe je zijn moeder hebt opgepast, onderhouden van je verdiensten, toen de broodwinning met den vader in het graf ging?”

„Hein’s moeder was eene brave vrouw,” getuigde Geesje.

„En jij, braaf als zij, Geeze! – er is eene plaats open op het Guldenhofje, en fe begeving staat aan mij – met Augustus breng jij er je meubeltjes, een bed zul je er vinden.” –

„Och! „die wel doet, wel ontmoet,” zei Hein’s moeder altoos,” stamelde Geeze, terwijl zij naar mevrouw Ackermaels’ stoel ging, om haar dank te zeggen.

„Dank mij niet,” sprak nicht Elsabé; „dank God, die ’t me in ’t harte gaf! – de jufvrouwen zullen komen zien, hoe je ’t op het hofje hebt, – aIs mija been meê wilde, dan kwam ik zelve ook.” –

En Ten Have sloeg aan den avond van dien dag het hoofdstuk „Van de Dankbaarheid” in den Heidelbergschen Catechismus eens op.

[Hoofdstuk 6]