E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

DE ZUSTERS

[Hoofdstuk 5]

VI.

Er ie een leeftijd, waarin het ouderlijk huis der dochteren te eenzelvig, te ernstig, te eng wordt; waarin zij onwillekeurig wenschen eene eigene woning uit te zoeken, in te rigten, te bestieren, al doen aangeborene schaamte en aangeleerde beschaving haar den oogenblik der vervulling van dat verlangen geduldig, getroost, gedwee te moet zien. We hebben het verschijnsel bij de zwakte opgemerkt; slaan wij het in onbelemmerde uitdrukking ook bij de sterkte gade. Eigen baas te zijn, als het volk kort en kernig zegt, is niet maar de bede, is behoefte voor de ontwikkeling des jonkmans, wiens kracht en moed hijgen om de wijde wereld in te gaan; wien de maatschappij voor zijne begaafdheden onafhankelijkheid belooft; die zich bewust is, dat hij slechts leerde gehoorzamen, om te kunnen gebieden.

Arme Hendrik van Oudenhove!

„Vr ruim twee jaren gepromoveerd,” als zijn vader van hem zeide, in het gesprek met het hoofd van het huis Ovens en Zoon; „nog jong,” als de man die het secretariaat te begeven had, er op volgen liet, zat hij daar in zijn studeervertrek. Eene achterkamer der ouderlijke woning, waren hare vier wanden met boeken bekleed, van de hooge Ter Burgsche zoldering af tot op het versleten Smyrnasche vloertapijt toe, een paar vakken tegenover de beide vensters van den kleinen tuin uitgezonderd, in welke de afbeeldingen der vermaardste Van Oudenhoven’s uit de zeventiende eeuw de betere dagen des geslachts herinnerden. Het begon avond te worden, en de stralen der zon weerden op die ure uit de bibliotheek het sombere, dat haar anders iets huiveringwekkends gaf; doch welke voorwerpeu, door hare breking op de roode overgordijnen, die weleer grootmoeders zaal hadden opgeluisterd, vrolijker, milder werden getint. Hendrik zelven deden zij ’t niet. Het voorhoofd in de palm der regterhand geleund, hield hij zijne oogen op het papier geslagen, dat zijn lessenaartje schier bedekte; – viel het vaalbleek zijner wangen aan een ziekelijk gestel, of aan eene nerslagtige gemoedsstemming toe te schrijven? Hij zag op, – de pen ter hand, staarde hij of de gedachte komen wilde, dat hij haar grijpen mogt; iemand, die zulke oogen had, kon van vernuft noch gevoel misdeeld zijn; – weer zuchtte hij. Eensklaps, achteruit stoof de leuningstoel; drie schreden, – welk eene ranke gestalte! – en hij greep in den blinde ter welbekende plaatse een welbekend boeksken van eene der planken. Het was zijne dissertatie, die hij zoo goed als van buiten kende, van het eerste blad tot de drie of vier voorlaatste, en juist die sloeg hij op: een vers, hem door eenen zijner jongere akademievrienden gewijd, eene voorspelling!

Wer schoven de koperen rolletjes van den stoel over den laatsten zweem van wol, waarop het tapijt nog boogde; wer zat hij voor het velletje postpapier, en lagchende, als iemand die kiespijn heeft, schreef hij uit het boekske af, schreef hij verder, wat ge lezen moogt als ik, indien ge met mij over zijnen kroezen krullekop henen, de bewegingen zijner pen volgen wilt:

„Die Themis in den bloei der jaren
Reeds offert, waardig hare altaren;
    Die geestdrift huwt aan onderzoek,
U zal voor redding de onschuld prijzen,
U zal de faam een’ zetel wijzen
    Bij Huig de Groot en Bynkershoek!”

 „Opgewonden standje! dat ge me zaagt, nu ik dezen brief met, uwe laatste logen beginne. Ge gaaft der Muze den zak, al verraste mijne jeremiade u in de vallei van Vaucluse, of op het graf van Virgilius; want wat weet ik het, waar vetturini en mijmerlust u al heenvoeren? In ernst, Arend! ge hebt de beste partij; gekozen, de wereld te gaan zien, eer gij hier om eene hoogleeraarsplaats hengelt. Hengelen toch zul je moeten, trots al je fortuin; voor niemendal is onze Amsterdamache Talleyrand ook niet tegelijk onze eerste hengelaar. Om op uwe „onachuld” en uwe „faam” te wachten, jongen! il faut avoir longue haleine. H. van Oudenhove, Advocaat, staat nu al langer dan twee jaren aan den post van de deur, maar och! dat schelletje gaat zoo zelden over. En als het dat dan nog doet, welk eene onschuld roept mijne verdediging in! Ge zoudt mijn’ brief wegwerpen, als ik er u verslag van deed; potiseer eens over geldsnoeijers, huisbrakers, moordenaars, de corven, die wij pour l’ amour de Dieu waarnemen. Stomp denken en lam schrijven, dat kan men zich voor clinten, die f alles loochenen, wat middagklaar bewezen is, f zoo schapig bij het eerste verhoor bekennen, dat er geen’ glimp aan het feit te geven valt. Zie niet zuur, Arend! om die liefhebberij de wet te ontduiken – hoe kunnen wij anders naam maken? Een correctioneel gevalletje, een huistwist, ten gevolge dat de jeneverflesch niet lang genoeg vol is geweest, om zoowel het wijf als den vent te doen indommelen, die geven een loffelijke vermelding in den Volksbode; maar dat is ook al de pret die ge er van beleeft. Het zijn de groote deugnieten, die de groote reputaties bezorgen; que voulez vous qu’ on y fasse? Interessante questies van anderen aard? die vertrouwt men slechts aan de vermaardheden van het vak, – van mijne gansche familie heb ik nog maar drie leden bediend. De eene kreeg het met zijn buurman te kwaad, over de verhooging van eene schutting: partij is dol op perziken, en zijne boomen hadden loten geschoten, anderhalve hand lang. „Eene enkele plank meer op de negen,” zul je zeqgen; maar mijn neef wil om den dood het uitzigt op de kaptafel van zijn achterbuurtjes niet verliezen. Entre nous, hoort ge? want kreeg partij er de lucht van, zijne dochters verhuisden morgen, en uit was mijn geding. Het tweede – maar als ge, na het verslag van die eerste misre, dat van de tweede en derde nog noodig hebt, om te begrijpen, welk een lamzalig leven ik leide, dan zijt ge de snuggere bol niet meer, wien ik zijn uitstapje naar het Zuiden gaarne gunde, daar ik me vleijen mogt, hem eens als een’ flinken kerel werom te zullen zien, – en dien ik toch benijdde, tot tandeknarsens toe. Ik heb je daar eene schets van mijne werkzaamheden gegeven; meet er eens naar af, welke mijne uitspanningen kunnen zijn. Lezen is een groot genot, maar lees eens altoos! Partijen? Ik sla uit den aard al ik papa en mama zich er voor kleeden zie, of zij nooit meer uit waren geweest. Mijne moeder, heb ik wel eens gehoord, „verveelde zich ook altijd in zulk goed gezelschap!” De societeit, het kransje van mijne collega’s? zij bewaren het vonkje vernuft, dat er in mij zit, voor uitgaan; maar om het aan te wakkeren tot vlam, dat eischt eenen anderen adem. De Fransche Comedie? drie avonden in de week leun ik, ’s winters, in het parterre tegen de stookplaats, en kom slechts ontevredener te huis. La Camaraderie heeft mij in ’t voorjaar drie slapelooze nachten gekost. Ik heb sympathie pour les beaux rles; ik zou er door mij zelven, door mij zelven alleen willen komen; maar die, haast had ik geschreven, vervloekte relatin, – ik heb een walg aan intrigues, en ik sollieiteer! Arend, wees niet te hard in je oordeel; bedenk dat je geld hebt, dat je vrij man bent. „Een goed huwelijk,” spot je, „bah!” zeg ik.”

Uit heeft ons kijkje over den schouder.

De deur van Hendrik’s studeervertrek ging open; papa trad binnen, een briefje in de hand.

„Eene invitatie, jongenlief! eene invitatie van Ovens, om over acht dagen op Lindenhof te komen dineren; – je hebt zeker mevrouw ingepakt; – ik wed, dat je bovenaan staat, op de voordracht der kandidaten;” en de man wreef zich in de handen van plezier. „Ik heb mij moeten verontschuldigen, om het partijtje bij den dijkgraaf, weet je; maar voor den secretaris in spe heb ik aangenomen, aangenomen van ganscher harte.”

„Maar papa!” viel Hendrik in. „Maar, jongenliefl! zul je dan nooit leeren begrijpen, dat men alles in de wereld ligter weigeren kan, dan een diner bij een’ man, wiens invloed men behoeft? Mevrouw Ovens zou ’t je nooit vergeven, als ze op mijnheer Van Oudenhove gerekend had, en mijnheer Van Oudenhove kwam niet.”

„Och, die naam!” mompelde Hendrik tusachen de tanden.

„Die naam is het laatste, wat mij van vroegere grootheid overschiet,” hernam de vader half somber, half wigtig; – „het is een historische naam, Hein! in de regering van Amsterdam; – maar je kunt er meer partij van trekken dan ik – in den bloei van ’t leven – met je nobele figuur – wat zeg je?”

Onwillekeurig viel Hendrik’s blik op de laatste regelen van den begonnen’ brief; en stilzwijgend schudde hij, bij de zinspelende, bij de uithoorende vraag zijne vaders, het hoofd; doch Van Oudenhove had nog meer op het harte.

„Een lief meisje, die Louise Ovens, h Hein! – eene mooije blondine, wat fier, maar dat mag ik wl.”

„Zoo, pa!”

„Zoo, pal alsof je ’t niet evengoed gezien hadt als ik.”

„Toch niet, papa! ik heb haar inderdaad naauwelijks opgemerkt.”

„Hoe negentiendeeeuwsch jongeluiachtig, Hein!” en Van Oudenhove nam van verontwaardiging eens een snuifje. „Dat maakt visites in een huis om een post te krijgen” –

„Waarlijk, niet met mijn’ wil,” viel Hendrik in.

„En wat zou je dan willen, jonge heer! zou je dan willen leven van de lucht? ’t Is waar, ik doe mijn’ pligt slechts, als ik zorg en zwoeg; ik doe mijn’ pligt slechts als huisvader; maar ik zou weleens willen weten, hoe jij je er door zoudt helpen, als ik je morgen eens ontviel? Toegegeven, de kinderen uit mijn tweede huwelijk zijn maar je halve” –

„Papa!” deed Hendrik hem ophouden, „God verho, dat het gebeur’! maar de kleinen hebben mij nooit iets misdaan, en buitendien ’t zijn ook uwe kinderen; zij dragen onzen naam” –

„Marianne,” zoo heette Van Oudenhove’s tweede echtgenoote,

„Marianne,” zei hij, „heeft gelijk, als ze beweert, dat je, zoo goed als ik, den familietrots hebt, maar een beetje anders genuanceerd dan den mijnen, – den trots van uwe moeder, zegt ze.”

„Mama beklaagt zich toch niet?” vroeg Hendrik.

„Over jou, jongenlief? och neen! – een beetje voorkomender, een beetje vriendelijker misschien, mag zij je wenschen, meer in je eigen belang dan in het hare; maar anders, als ooit eene tweede moeder haren man weinig lastig is gevallen met klagten over de kinderen uit zijnen eersten echt, dan is zij het.”

Papa Oudenhove scheen af te wachten, wat jongenlief antwoorden zou; maar Hendrik nam het voor notificatie aan, en volgde vaders voorbeeld, door eene wijle het stilzwijgen te bewaren. Wij zullen ons die pauze ten nutte maken.

Van Oudenhove’s eerste echt was een kansspel geweest, dat boven verwachting geslaagd mogt heeten – voor hem altoos. Een wilde jeugd en zijne studin hadden hem geld gekost, zonder dat menschenkennis of geleerdheid hem voor het verlies van de heftt zijns vaderlijken erfdeels schadeloos stelden; – daar viel zijn blik. op eene meer dan bemiddelde weeze, van overouden naam, maar die dreigde weg te kwijnen aan dezelfde kwaal, die hare ouders vroeg ten grave bragt. Val er der teringzieke Margaretha niet hard om, dat zij zich verbeeldde te worden bemind; Van Oudenhove was de eerste, die zwoer, dat hij haar liefhad; hoeveel gretiger leende zij het oor aan dien eed, dan aan het kwaad, dat verre verwanten, dat haar harpagon van een’ voogd, van hem vertelden! Hij, Van Oudenhove, zou belangziek zijn! Al had zij geaarzeld hem te nemen, dat zij niet deed, de onverschilligheid waarmede hij er genoegen in nam, dat, bij haar kinderloos overlijden, het grootste gedeelte van hare fortuin door hem weder zou worden uitgekeerd, de verzekering, die hij haar ongevergd gaf, dat het steeds aan hare keuze zou staan, deze, schier met uitsluiting van zijn’ persoon, aan de kinderen uit hunnen echt te vermaken, zouden geindigd hebben met haar over te halen. Vijf jaren lang was zij met hem gehuwd; of die echt haar ten minste vijf jaren geluks had gewaarborgd! Helaas, de uren uitgezonderd, die zij met Hendrik aan hare knien, die zij bij het wiegje van Suze, het jongere zusje van dezen, sleet, was haar huwelijk eene lange teleurstelling. De teringzieke had behoefte aan omgang naar den geest, en wat kon deze zijn bij Van Oudenhove’s nulliteit? Van zijne zijde, wat was de tonne gouds, die zij hem aanbragt, waardig, als hij er geen genot van hebben mogt? Een buitentje, om den wille harer wankele gezondheid gekocht, verkeerde in eene plaag door de jagt- en vischvermaken, welke het hem opleverde; het verblijf in stad was voor haar dezelfde verlatenheid, ten zij ze zich optooide voor feesten, welker vermoeijenissen haar duur kwamen te staan .

„Die man had nooit die vrouw, die vrouw had nooit dien man moeten nemen,” zeiden beurtelings beider kennissen, terwijl zij voortgingen bij iedere verloving den bruidschat te wegen, en den mond slechts volhadden van: „welk eene goede partij!” Dat zij Margaretha gezien hadden op haar sterfbed, die Van Oudenhove een derde’ haars vermogens vermaakte, terwijl zij haren twee kinderen het overige naliet; die hem zijne huichelarij vergaf!

Voor een’ man van zijne beginselen verdiende, na een acht of negenjarig weduwenaarschap, zijne tweede verbindtenis geen’ anderen naam dan dien eener dwaasheid. Marianne was noch aanzienlijk, noch vermogend; Marianne was jong, zeer jong, ach, dat Marianne te gelijk zoo schoon, zoo verleidelijk schoon was geweest! Gouvernante van Suze, geworden, had zij zich minder om de opvoeding van het meisje bekommerd, dan om de verovering des vaders, en’ deze was haar gelukt. Hoe de Zwitsersche, in den eersten tijd van haren echt, naar lust den staf zwaaide; hoe partijen werden aangelegd en uitnoodigingen verkwist, opdat zij als gelijke mogt worden ontvangen in de kringen, wier toongeefsters haar in den beginne van verre lieten staan, later slechts schoorvoetend te gemoet kwamen; hoe de eene Rus voor, de andere Rus na, uit den effectentrommel van Van Oudenhove sprong! De publieke opinie sloot vrede met zijne keuze; de morgue onzer weledelgeborene vrouwen moest zijne gade wel „een heel lief mensch” vinden; Marianne bood hem haren eersteling aan, die anders op hem geleek, dan de bleeke Hendrik, dan de zuurziende Suze. Ach, dat ik daar van die kinderen sprak! Het was of Van Oudenhove’s voorhoofd rimpeliger werd, hoe ranker zij opwiessen; zoo de meesters Hendrik’s vorderingeu prezen, als zijnen leeftijd verre vooruit, dan zag hij, zwart, zag hij zuur. Een instituut, een pensionaat, waren spoedig welkome afleidingen voor die bronnen van ergernis; – als de oudsten jaarlijks in de vacantie te huis kwamen, vonden zij een brortje of zusje meer. Het ware over te komen geweest, voor hen, meen ik, als papa met ieder kind maar niet knorriger was geworden. Het moest hun zonderling schijnen; maar het zonderlingste van alles volgde later. Onder den indruk der verwachting van het vijfde kind uit zijnen tweeden echt deelde bij Hendrik, die op het punt stond naar Leyden te vertrekken, vele vermaningen mede, en werd aangedaan en schreide. „Jongenlief!” snikte hij, „ik waarschuw je welmeenend, ik waarschuw je bij ondervinding.” Hendrik’s eerbied voor zijnen vader vergunde dezen niet voort te gaan. „Och, Hein!” sprak hij, „ik beroep mij liever op je liefde dan op je eerbied; hou je genoeg van je vader, om het hem te vergeven, als hij, bij eigene verliezen, een deel van je vermogen inboette.... ?” En Van Oudenhove had niet durven opzien, voor het hem uit den mond zijns zoons toeklonk: „Vader! Is dat van Suze veilig?” – „Ja, jongen!” „En kan ik van het overschot van het mijne nog studeren?” Het was andermaal beaamd. „Laat ons dan nooit van het overige meer spreken, papa! ten zij uwe omstandigheden zich verbeteren.”

De vader had maar al te gaarne dien wensch van zijnen zoon vervuld. Het medegedeelde onderhoud tusschen beiden bewijst, dat hij zelfs verder gegaan was, en al het gezag had hernomen, met welks verlies hem de inlichting over zijnen achteruitgang bedreigde.

„Als ik straks ze, jongenlief!” begon de heer Van Oudenhove wer, „in mijn’ tijd zou ik geene visite bij Ovens, bij iemand hebben gemaakt, of ik had vr mijne laatste buiging, het gansche vrouwentimmer des huizes op mijn duimpje gehad. Zelfs nu nog ontgingen mevrouw, met de dlicate constitutie, en Mimi, met hare bolle wangen, me niet, al vond ik Louise –”

„Eene mooije blondine, papa!” heruam Hendrik glimlagchende.

„Eene zeldzaam mooije blondine; je zult zien, dat ik gelijk had, als je op Lindenhof dineert; wees vooral....”

„Wat, papa?”

„Oplettend jegens haar, een beetje voorkomender, een beetje vriendelijker dan....”

„Dan mama mij vindt,” viel Hendrik, schier schamper, in. Maar Van Oudenhove, die gedurende de pauze tot het besluit seheen gekomen, nu of nimmer zijn wit te beschieten, kreunde zich aan zulk eene kleinigheid, als dien minder eerbiedigen toon over eene tweede moeder, niet; Van Oudenhove voer voort:

„Jongenlief, verkijk je kans bij haar niet; zij staat schoon, zeg ik je.”

„Maar, lieve Hemel, papa! wie al heeft dat secretariaat niet te begeven! – Mijnheer Ovens, dien men winnen moet door belofte van vrijheid van handel,” – mevrouw Ovens, welker dlicate constitutie men verpligt is allerinteresaantst te vinden; – mejufvrouw Louise Ovens, in wie ik eene zeldzaam mooije blondine moet huldigen; – Mimi, zei u niet, dat de kamenier zoo ieette? Mimi misschien op den koop toe!”

„Hein! je wilt me niet verstaan; Louise Ovens, verzeker ik je, Louise Ovens, de eenige dochter, onder maar drie kinderen ran schatrijke ouders, heeft meer te begeven dan tien secretariaten: hare hand en haar –”

Geld!” smaadde Hendrik, zoodat zijn vader groote oogen opzette; – slechts als zijn zoon millionair was geweest, zou Van Oudenhove dien toon niet gek hebben gevonden.

„Geld, jonge heer, geld!” hernam hij, terwijl Hendrik, in gedachten verzonken, voor zich zag, „geld, waardoor men een rustig leven leidt; geld, waardoor men zeker kan zijn, zich met respect te zien bejegend; – geld, waardoor men vele vergrijpen kan goed maken; – geld, de god van onzen tijd!”

Het was, of die laatste woorden den zoon wakker schrikten uit zijne mijmering.

„Vader?” vroeg hij ernstig, en Van Oudenhove spitste zijne ooren, want papa was de alledaagsche titel; maar als het vader klonk, dan was Hendrik’s gemoed warm; „vader! op het eerste gezicht af, louter om des gelds wille, heeft u mij Louise toegedacht – maar gelooft u dan waarlijk, dat dit alleen genoeg zou zijn, om haar en mij gelukkig te maken?”

„Geluk? Hendrik, geld is er de eerste voorwaarde van; ik zou weleens iemand willen zien, die gelukkig was zonder geld!”

„Papa,” voer de zoon voort, die moed vatte, ten gevolge van het ontwijkende in het laatste antwoord; „we zijn door uw gekscheren – ik hoop, dat het niet meer was, – op een ernstiger onderwerp geraakt, waarover ik mijn hart sinds lang lucht wilde geven; heeft u tijd, heeft u lust, om mij aan te hooren?”

Van verbazing nam Van Oudenhove een snuifje.

„Biecht op, Hein!” zei hij op bemoedigenden toon.

„Het zijn minder gevoelens dan gedachten, papa. Ik heb nu twee jaren lang, sehier dag aan dag, in dit studeervertrek gezeten, en zonder veel zaken, als u weet. Lusteloos mijmerende, met de hand onder het hoofd, zag ik dan die beide schilderijen weleens aan –”

„Een Miereveldt, een Schalken,” viel Van Oudenhove in, of er een vreemde voor atilstond.

„Minder om der meesters wille, papa! dan om dien der mannen, welke zij schilderden, dan om onze betrekking –”

„Het waren ook vader en zoon, Hendrik!”

„Maar die in omgekeerde verhouding tot elkander stonden, als wij, papa!” – in omgekeerde verhouding, als ik ten minste gaarne staan zou,” eo een vluchtig rood tintte de wangen des jongelings voor een oogenblik, en met bewogene stem voer hij voort: „Die goede grijsaard, van wien onze opkomst dagteekent –”

„Mis, Hein, mis! de Van Oudenhove’s waren schildknapen van grave Floris in de 11de eeuw!”

„Doch die afkomst is zoo zonneklaar niet te bewijzen, papa, als dat Hendrik Jansz. van Oudenhove in het begin der zeventiende eeuw maar een bemiddeld burger was, die op het Water woonde, in het huis, dat de drie lelien in den gevel had, en in de wandeling het Schild van Frankrijk heette; – wiens vader het nieuwe geloof was toegedaan geweest, en die er met dezen velerlei vervolging voor had gelen; – die aandeel nemen durfde in de uitrusting voor de vergeefsche togten om de Noord; – die vermogend werd door den goeden uitslag der Compagnie van verre; – die tot bewindhebber der Oostindische werd verkozen; – die op het kussen kwam – en die hart in het lijf had, om in den raad zijne meening te zeggen, prins Maurits mogt zuur zien of niet.”

„Het Huis van Oranje moest niet vergeten, wie wij geweest zijn,” zuchtte Van Oudenhove.

Intusschen rigtten zich de oogen van zijnen zoon, van de schilderij vau Miereveldt, op welke het levenslustige hoofd van den goeden grijsaard tegen den donkeren aehtergrond symbolisch uitkwam, naar die van Schalken. Op deze troft ge noch huisgewaad, noch kalotje aan; op deze zaagt ge een man, die den middelbaren leeftijd had bereikt, maar wiens gezigt minder uwe aandacht tot zich trok, dan de tallooze krullen, die van zijne kruin tot op zijne schouders kronkelden; dan het fluweel en de zijde, waarin hij was uitgedost; dan het bijwerk en het verschiet.

„Onze voorzaat, uit de dagen van Willem III, vergat het zelf,” begon Hendrik weder. „Als gunsteling van den prins grondvestte hij ons geslacht, in de regeering der stad, ten koste van de beginselen, die zijn vader op het kussen bragten, en welker voorstaan er dezen met meer eere deden afbonzen, dan ooit de nakomelingen des zoons wegdroegen, hoelang zij het ook hebben bekleed.”

„Hoe!” riep Van Oudenhove, verbaasd, verontwaardigd.

„Vader, uwe verwondering bewijst, helaas, wat ik zeide; bewijst, op welk een verschillend standpunt wij staan. Als die beide mannen van den wand op ons konden toetreden, dan zou u geen’ moed genoeg hebben, den grijsaard de hand te geven, daar. zoo iemand u om al uwe posten brengen kon; – dan zou ik met schaamte moeten bekennen, dat ik met den gunsteling van Willem III slechts te zeer het verloochenen, het prijsgeven mijner overtuiging gemeen had; maar tevens wenschen dat de oude zijne hand op mijn hoofd wilde leggen, zeggende: „het verledene zij vergeven; van nu aan, beter u!” ”

„Jongenlief, jongenlief!” riep Van Oudenhove, „dat stilzitten maakt je hypochondrisch; een uitstapje zal je goed doen; – ik wo dat je acht dagen op Lindenhof bleeft; – Louise –”

„Vader!” borst Hendrik uit, „ik heb dan vergeefs voor u mijn gemoed blootgelegd; vergeefs willen zeggen, dat u onze afkomst maar een middel van aanbeveling houdt, terwijl die mij van lieverlede helderder wordt, als verpligtingen opleggende; wilt ge, kunt ge mij dan niet verstaan? Och, lach niet; ik houde u uwe laauwheid, uwe laagheid, – vergeef mij, vader! – ik houde u alles ten goede, want in uwe jeugd wisselden de staatslin van kleur als van hemd, want de eeden volgden elkander op bij den dag...”

„In mijne jeugd, jongeheer! vermaakte men zich wat meer, dan tegenwoordig; in mijne jeugd deed men, als men de wereld gezien had, eene goede partij.” –

„Vader!” zwoer Hendrik, „ik, die mij zelven al verfoei om ons solliciteer-systeem, ik zal mij ten minste er voor wachten, die gruwelen de kroon op te zetten, door eene vrouw te nemen om haar geld.”

„Ik wenschte, dat Willet hier ware,” dacht Van Oudenhove, in zich zelven, terwijl hij zijnen zoon met groote schreden de kamer op en ner zag gaan; „er mag bij zulk een’monomaan niets worden verzuimd.”

„God beware er mij voor!” vervolgde de zoon, zijner overtuiging lucht gevende, terwijl hij zieh op de rechterleuning van zijnen armstoel kruiselings nerzette. „God doe het mij duidelijk worden wat ik doen kan, wat ik doen mag, om mij van den laSt, die mij verlamt, te bevrijden! Ware ik alleen in de wereld, ik zoude mijne behoeften weten te regelen naar mijne verdiensten; het is de hoeksteen der onafhankelijkheid! Het mogt me goed, het mogt me slecht gaan, in alle omstandigheden zou ik mij zelven de getuigenis mogen geven, mij gedragen te hebben als een man, die om lief noch leed huichelt, maar zoo veel in hem was, het zijne bijdroeg, tot vooruitgang van zich zelven en zijnen tijd!”

„Jongenlief, je delireert!” zeide Van Oudenhove.

„Vader,” vroeg Hendrik, terwijl hij zich voor hem plaatste en het beven zijner stem zijne aandoening verried; „vader, de menschen zeggen, dat u mijne moeder om haar geld heeft getrouwd; antwoord mij, niet op de vraag, want ge blijft mijn vader, maar antwoord mij, gedachtig dat we elkander hierboven hopen wer te zien: is u met haar gelukkig geweest?”

Van Oudenhove, onwillekeurig getroffen, streek met zijne hand langs zijn gezigt: Van Oudenhove schudde het hoofd; – maar opstaande, maar de kamer verlatende, zeide hij in zich zelven:

„Wat moet er van worden, als de geest des tijds, als de litteratuur van den dag, zulke tooneelen doet voorvallen tusschen vader en zoon?”

Die onschuldig schuldig-verklaarden!

[Hoofdstuk 7]