E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

DE ZUSTERS

[Hoofdstuk 6]

VII.

Op den spoorweg tusschen Amsterdam en Rotterdam, die toen nog slechts tot Haarlem reikte, die nog een nieuwtje was, schoof de condueteur de vensterkens van eene der chars-de-bancs langs, en stiet het deurtje open en kwam binnen.

„Ha! ben jij er,” zei een schommel van eene jufvrouw, welker omvang den man in zijne bewegingen belemmerde, „ik ga altijd maar op het hoekplaatsje zitten;” zij scheen eene heele habitu, – ” „ik mag die halsbrekerij niet zien, dat moest anders worden ingerigt.”

De condueteur zei geen dankje voor de humaniteit, maar deed zijn best haar niet op de teenen te trappen.

„Mijnheer!” rigtte hij het woord tot een jonkman, die op de tweede of derde bank over de jufvrouw zat.

En deze haalde een paar snippers geel papier uit zijnen vestzak, terwijl hij op een meisje wees, dat naast hem had plaats genomen.

„Juist!” zei de dikke jufvrouw in zich zelve; een uitroep, die niets anders beteekende dan dat zij het geraden had, dat dit paar bij elkander hoorde; om haars hoekjes wille was zij zelve de laatste van alle passagiers opgestapt.

Intusschen had de conducteur den jonkman de snippers teruggegeven, er een stukje van te hebben afgescheurd – voorbij Halfweg werd het onderzoek toen herhaald – en zeide anriermaal: „Mijnheer!” tegen iemand, die zeeoffciers-montering droeg.

„Ik zwalk al van stuurboord naar bakboord,” hernam deze zoekende, maar vond eindelijk het scheurpapier toch, en weer op zijne beurt zijn gezelschap aan in een preutsch juffertje, dat eene paarache voile droeg.

„Juist,” mompelde de opmerkster op nieuws, toen ook hij zijne snippers terugkreeg, en het dus bleek, dat ook dit paar tot Haarlem zou worden meegestoomd; „juist,” zei ze, maar volgde de bewegingen des conducteurs niet verder. Uit de weinige woorden, welke zij vroeger de leden van het eene paar met die van het andere had zien wisselen – want hooren doet men op den spoorweg, op twee banken afstands, niet – begon zij te gissen in welke betrekking deze tot elkander stonden. En hare verbeelding schoot vleugelen aan, als die der meeste vrouwen gewoon is te doen op dat punt, en och ja! er werden twee huwelijken uit de vier jongelai: „de zeeofficier had een goed oogop het bleeke meisje in den zwaren rouw,. en de jonkman, die er zoo vrolijk uitzag, zou dat proper dingetje den mond wel uit de kerkplooi brengen; – juist! juist!”

Niet te haastig, schommeltje! niet te haastig.

Willem Ovens, want hij was het, die het eerst zijne gele snippers had voor den dag gehaald; Willem Ovens alleen verkeerde in eene stemming, die haar vermoeden eenigszins regtvaardigde; doch wat er in zijn harte omging, gold waarlijk het meisje aan de zijde des zeeofficiers niet. Louise had hem overreed, hoe weinig hij hare vriendin ook kende, Anna Graevestein af te halen, om haar op Lindenhof te brengen, en zijn lievelingsros, voor den karikel gespannen, was dien ochtend den Kloveniersburgwal opgedraafd, om fluks voor de woning van mevrouw de weduwe Ackermaels ongeduldig stil te staan. En het kabinetstukje van een neepjesmuts had hem op de zaal gelaten, daar nicht Elsab zoo vroeg niemand ontving; – liever, had hem de deur van dat vertrek slechts geopend, om hem aan te dienen; Doortje was hem te moet gekomen, te moet gezweefd. Wat drommel had er aan hem gescheeld, dat een mooi meisjesgezigt hem zoo beteuterd had gemaakt, dat hij zich maar links van zijne vergissing had hersteld, toen het lieve kind hem had ingelicht; „dat hare zuster fluks gereed zou zijn.” Hij vroeg het zich zelven af, en Doortje stond hem weder voor den geest; zijne bruine kijkers tintelden, als zag hij andermaal, hoe hare blonde lokken eenen hals overschaduwden, die, om wergaloos blank te blijken, geen zwart floers behoefde, –o die blaauwe oogen, wat had hij er gaarne lang, gaarne diep in gezien! Maar hij had niet gedurfd – slechts zich zelven bekende hij ’t. – Willem Ovens, die anders voor een’ stoutert plagt door te gaan, had zich gedragen als een schaapshoofd; – voor het meisje van zestien jaar had hij schroom, eerbiedigen schroom gevoeld. Schroom? had hij haar dan niet uitgenoodigd: „och! u moest me buiten komen!” – en zij, ze had den wijsvinger van de kleine hand zoo schalk opgeheven, lagchende: „Ongenoode gasten...” Lagchende, hoe fraai stond dat lachje aan die lippen, als kersen zoo rood en zoo frisch! Een kus... Willem Ovens had er alles voor willen geven, en echter Doortje was verpligt geweest hem de hand te reiken, opdat hij niet zoo vreemd van verre mogt staan, toen zij Anna vaarwel ze; was verpligt geweest dit te doen, eer hij het waagde, haar de zijne te bin. Een kus – zie, terwijl Willem Ovens er aan dacht, had de trein op halfweg stilgehouden; maar wat had hij het gemerkt, als jufvrouw Graevestein hem niet had getikt, daar Dirk Goemans hem andermaal dezelfde vraag deed?

Anne kon zich niet werhouden te meesmuilen op den bok dien hij, antwoordende, schoot; zij had hetzelfde gezigt gezet, toen hem, in den karikel, na eene lange pauze, de nave betuiging was ontsnapt:

„ – Ik wist niet, dat u zulk eene lieve zuster had.” –

„Zoo!’ zei Dirk Goemans, „zoo!” en schreef de dwaasheid, die Willem hem over de droogmaking van het Haarlemmermeer wilde doen slikken, aan zijn baarschap toe, en besloot niet verder te, vragen. Hoe den zeerob de vreeze vermaakte, die hij op aller aangezigten, bij de minste ongewone beweging des wagens, las! Liever was het hem geweest, in een’ notendop op den oceaan te dobberen, de onmetelijke afgrond om hem heen, maar hij aan het roer; liever, zeg ik, dan in zulk eene kast te zitten opgesloten, „het valluik potdigt.” Maar bang wezen, maar aan gevaar gelooven, wat weet Janmaat er van; wien vertelde hij ooit, dat hij het deed – eer het voorbij was? „Betje, daar gaan we!” riep hij zijn nuffig zusje toe, bij eenen stoot, als de weg van zijne geboorte af, de kwade hebbelijkheid had te geven, een hebbelijkheid, die toeneemt, of hij ieder maandje een jaar ouder werd. – „Betje!” daar gaan we,” en hij mogt, om den indruk, dien zijne woorden maakten, van het gansche gezelschap alleen een jongsken lijden, dat bloosde noch bleekte bij zijn’ uitroep; dat hem stokstijf in het gezigt zag, en een oogenblik later zijne: „Mis, mijnheer, u blijft!” Dirk Goemans wist niet, hoe hij het had; al de werzin, dien de fancy-dress van het jongeheertje hem straks inboezemde, was verdwenen. „Mevrouw!” kon hij zich niet werhouden tot de moeder van den knaap te zeggen: „mevrouw, als die krullebol varen wil, stuur hem dan naar Medemblik; er steekt een hachje in!” Dank zijner epauletten, ergerde mevrouw zich aan de gemeenzaamheid niet: „slechts was West-Friesland zoo ongezond,” zei ze: „slechts bood onze Marine over het algemeen zoo weinig vooruitzigt op bevordering aan, al was mijnheer nog zoo jong, en toch reeds...” „ Toch pas luitenant,” hernam Dirk Goemans, en verdedigde, voor de ik weet niet hoeveelste maal, het klimaat der streek, waarin een der wakkerste menschengeslachten opwast, en liet het andere onderwerp maar moedeloos glippen. Hij deed het te eerder, daar de koene knaap intusschen van de bank was gewipt, daar het jongsken hem vroeg; wat hij kennen moest, om adelborst te worden. Dirk Goemans had de helft nog niet opgenoemd, – daar waren zij al aan de provisionele station.

De schommel was of course de eerste van alle passagiers den wagen uit; maar de juistheid harer opmerkingen gedurende de eerste helft van het traject, werd door de geschetste houding der paren, onder het afleggen der tweede, zoo zeer in twijfel gesteld, dat zij een oogenblik kijkens over had, om te zien, waar zij bleven. Ei, – geheel onjuist was hare gissing dan toch niet geweest; zij behoorden bij elkar. Uit het gewoel der menigte kwamen Willem Ovens en Anne, en de zeeofficier met het nufje, zamen den hoek om; maar wie waren de derde twee, welke hen vergezelden, en wat beduidde de lijfknecht, die voor het zestal uitsprong, als had hij de beenen om een’ duit? Ha! het waren grootere lui, dan zij hen had aangezien; eene lgante calche stond gereed, om hen af te halen; de koetsier reed op, de knecht sloeg de tre ner – en het derde paartje, dat, schoon smaakvol, toch eenvoudiger gekleed was dan de andere; het derde paartje, dat schier van verre stond, zou het thans niet met een buiging afscheid nemen, zou het niet te voet zijns weegs gaan? „Juist,” zei echommeltje; maar wer bedroog zij zich. Willem Ovens was zoo drok in de wer; Willem Ovens rigtte het woord. beurtelings tot Anne en tot het nufje; en beider kopjes knikten; „ja!” knikten: „gaarne!” en zie, daar stegen zij alle zes in en op; daar zaten zij, de laatstgenoemde meisjes op de achterste bauk; de derde, de onbekende jufvrouw en Dirk Goemans op de voorste; Willem Ovena naast den koetsier op den bok, en de derde, de ongenoemde heer, in den bak, naast den lijfknecht. Tik, zei de zweep, en weg stoven zij. Weg, maar niet zoo vlug, of ons schommeltje, dat hen nastaarde, had gezien hoe de heer uit den bak zijn vis vis, het juffertje toeknikte; en in welk paartje zij zich ook dien ochtend bedrogen had, dat vrijde. Z had haar Jan haar aangezien, eer zij hem zeven kinders schonk, eer zij wat zwaar werd! En den ganschen dag was zij gelukkig in de gedachte aan het paartje, gelukkig in de herinneriog. Schommeltje! wees het lang, wees het, spoedig in de vrijerijen van uw kroost – ik wil wel een beetje voor u inschikken, als ik u op den wagen werzie!

Willem Ovens had de leidsels van den koetsier overgenomen, en papa’s bemind tweespan, – de merries met de beerenklaauwen – voelde het aan de hand, hoorde het aan de stem, wie haar mende. Daar waren zij de Groote Houtpoort uit; daar draafden zij de laan in; waarom bedwong hij hare drift, waarom werhield hij haar? Och, ge zoudt het niet vragen, indien ge, als hij, de stralen der zon hadt zien dansen door het donkere gebladerte; indien ge als hij in het bosch de weelde hadt geemaakt der ure die den ochtend niet meer behoort en toch ook nog geene middagstraagheid heeft; – waarin het windje door de takken suizelt en met de twijgen stoeit, een oogenblik voor het zich ter ruste vlijt, waar het mos het zachtste is; waar het gebladerte het langste geurt! En dan, Willem moest eens omzien, een enkel maal, en alweder en dikwijls eens omzien naar den jonkman, dien hij er slechts noode in had doen stemmen plaats te nemen in den bak, en die daar nu toch zoo goed en zoo genoegelijk zat, de oogen op zijn meisje geslagen, oogen, als Willem er zoo gaarne op Doortje zou hebben gevest, om welker wille het hem geene zier schelen kon, of de lieve die blikken beantwoordde, of hare kijkertjes nersIoeg. Onwillekeurig knikte bij dat omzien Willem den onwilligem gast van tijd tot tijd eens toe, en bekommerde er zich zie dat niet om, wat deze wel van hem denken zou. Intusschen vielen de merries met de berenklaauwen wer in den draf, en andermaal hield hij haar in dr waar de lommer het zwaarste is, waar de slingerpaadjes uitlokkendst zijn, waar het op vollen middag schemert. En zie, Willem had zich verbeeld al heel heusch te wezen, toen hij aan de station niet wilde toestaan, dat de schilder – want dat was de jonkman in den bak – zijn meisje – maar die betrekking riedt ge reeds lang – dat hij haar naar een optrekje aan den Heemsteschen weg brengeu zou, eer hij Louise op Lindenhof les kwam geven in het teekenen naar de natuur; – hij had zich verbeeld beleefd te wezen, zeg ik, en toch, hoe andere dacht hij er nu over! De vista’s inglurende, wist hij wel, dat niemand ter wereld hem in de plaats van den jonkman had overgehaald van de wandeling met zijn meisje af te zien, al was Bloemendaal drie malen verder geweest, al had een onweder hem bedreigd! Een enkele vogel kweelde nog in de doorzigtige duisternis; bij eene kronkeling des wegs kwam in het verschiet eene bank aan het licht; verderop zou er nog wel eene veiliger, eene vrijere wezen; o pozij der eerste liefde! – maar reeds waren zij den Hout uit, en het meisje draaide haar hoofd om, ten einde het optrekje aan te wijzen.

Het hijgen der merries gaf hare verbazing te kennen, hoe het den jongen heer kon invallen te eischen, dat zij draven zouden door het zware zand, terwijl zij straks op den schulpweg niet hadden mogen loopen; maar gelukkig was het hekje van den tuin der huismanswoning, waarvoor zij mogten stilstaan, niet verre meer. Een vlaskop, die voor hare opene deur met eenen krulhond lag te spelen, keek eens op naar het mooije „spul”, maar speelde fluks weder voort; geene vrouw schoot uit het voorhuis toe; waren zij teregt? Stellig, uit het kamperfoelieprieeltje kwam eerst een welkje rooks, en toen een kort eindje, en met dat kwam een oud burgerman op zijne vilten pantoffeltjes te voorschijn, die zich ijlings omkeerde, zoodra hij gezien had wie in het rijtuig zat, wie hem van verre zoo vriendelijk had toegeknikt. En vrouwlief volgde uit het gezegde kamperfoelieprieel, en repte zich vader vooruit, neen, stond een oogenblik stil, om te zien, of zij in de verbazing ook steken had laten vallen van de kous, waaraan zij zoo rustig te breijen zat. Eer een van beide de klink van het hekje konde opligten, was de lijfknecht al uit den bak gesprongen; was het portier al opengemaakt, en der dames dankzeggende voor de eer van het geleide, wipte het meisje de trede af, – in de armen van den schilder.

„Tot van avond,” zei ze, en wilde oom en tante – want dat waren de burgerluidjes, die hunne koetjes op het drooge hadden, tot het huren van een optrekje toe – wilde tante en oom goeden dag zeggen; maar eerst eischte de minnaar een’ kus. En al deed Willem Ovens op hetzelfde oogenblik de merries met de beerenklaauwen keeren, toch zag hij, hoe andere de lieve wegdook bij het afscheid nemen van den schilder, dan bij de welkomstgroete harer verwanten, en, „chacun son tour” mompelende, terwijl Louise’s leermeester thans plaats nam in het rijtuig, deed hij der hijgende merries weldra de afgunst ontgelden, waaraan hij bij dien kus ter prooi was.

„A1s ik op mijn’ ouden dag hier een buiten kon hebben met een pensioen van een duizend gulden of tien,” zei Dirk Goemans, „dan was het nog der’ moeite waardig te varen!”

„Om, als de oom van mijn meisje, op sloffen voort te schuiven, mijnheer?” vroeg de schilder.

„En met den bril op den neus,” liet Anne Graevestein er op volgen, „in de Couraat van een’ slag te lezen waar u niet bij vas geweest?”

„Voeg er dan, om den jammer te voltooijen,” zei de zeerob, „maar een schot kleinkinders van mijne zuster bij, h, Betje?”

Het nufje zag voor zich, en het nufje zweeg.

„We spreken allemaal,” zei de schilder, „van een’ ouden dag op het land, en we vergeten, dat de oude dag gewoonlijk twee dingen mist; waardoor het landleven eerst genoeglijk wordt: goede beenen en goede oogen.”

„Schort het niet daaraan,” vroeg Anne, „dat wij het land in onze gedachten verwarren met de rust? – maar hoe kom ik zoo pedant?”

Inderdaad, Dirk Goemans keek haar aan, of zij een boek was; slechts de schilder had de heuschheid: „Toch niet!” te zeggen, had de grootere beleefdheid de gedachte te ontwikkelen, ten bewijze dat zij door hem ten minste begrepen was, Maar zie, eer hij het halverwege had gedaan, rolde het rijtuig reeds op nieuw over de straatsteenen van Haarlem; en den afgebroken’ draad weder aan te knoopen, toen zij den Overveenschen weg opreden, toen men weder spreken en hooren kon, dat moge in menige didactische vertelling geschied zijn, in de wezenlijke wereld, in de natuur, gebeurde, gebeurt het niet. Op gingen de parasols, en in het gslaan van het spel van licht en schaduw op Anne’s belangwekkend gezigt vond de schilder ruime vergoeding voor het gestoorde gesprek. De middagwarmte had haar verpligt het rouwfloers ter zijde te ligten, en al zagen zijne gescherpte kunstenaarsoogen, in den zweem van kleur die hare wangen tintte, eer een blijk van vermoeijenis dan van levenskracht, schoon was zij; een weinig streng misschien, maar toch schoon. Luttel oogenblikken later, en de duinen, die zoo even van verre glinsterden, teekenden zich thans duidelijk tegen de dijzige lucht de woudpartijen langs hare hellingen en aan haren voet vormden zich tot allerlei groepen; – de villa’s onzer geld-aristocratie kwamen voor den groene uit; – hoe de schilder het Anne aanzag, dat zij opmerkte, dat zij genoot!

Dr stond de calche voor den slagboom van Overveen; – dr week deze – daar draaide het rijtuig den hoek om naar Bloemendaal. „Zachtkens rijden,” vroeg Anne, en Willem hield in. „De plaats van Dezen, en „de plaats van Genen,” of „plaats en overplaats, allebei van –” ciceroneerde ons nufje, en Dirk Goemans mogt zich beroemen eene zuster te hebben, die Amsterdam om Haarlem wist wer te vinden, van Heemste af tot Velzen toe. Al vergiste zij zich een paar malen, de schilder wenschte te zeer, dat ze zwijgen mogt, om haar teregt te wijzen; – Anne, geloof ik, hoorde haar niet eens. Dieper haalde zij adem, als voelde zij zieh eerst daar bevrijd van de benaauwdheid der ziekenkamer in hethuis haars vaders, van de borstbeklemming, waaraan zij in nicht Elsab’s woning ter prooi was geweest. Blijde zag zij om zich, waar het leven in al zijne liefelijkheid aanlacht; eene kiesche, eene bloeijende, eene vrolijke natuur. er was den vorigen dag een gewenschte regen gevallen, en het geboomte hief zijne verkrachtige toppen, hief zijne glanzig groene blaren, wer gretig naar het welkome zoanelicht op. Frisch waren de grasperken, of de luchte voetjes der lente er nog over dartelden; volbloeid de rozen, of de zomer ze winden wo door het donkere haar. Een oogenblik rijdens tusschen kreupelhout, ten einde de afwisseling het genot verhoogen mogt, en dr glooide de grond het hooge duin af, het diepe dal in; daar wist de blik niet, wat hij het eerst, wat hij het langst genieten zou, f de heerenhuizinge boven, f het feeneiland benen; dr gloeiden Anne’s bruine oogen van verrukking, toen het verschiet op de stad haar hield boeid. Eerst omving zij het met een’ enkelen opslag; toen werden gedachten velerlei, als de kleurechakeringen van het landschap zonder wederg; eindelijk zag zij van de aarde op naar den hemel, en hare wimpers werden vocht. Maar hoe zacht Willem reed, het schouwspel was voorbij; – geloof het niet van den indruk, dien het op haar gemoed maakte.

Een korte rid nog, en Lindenhof lag voor hen; de lijfknecht opende het hek; en Louise stond in den zuilengang aan de trappen, verbaasd, wie toch de derde heer zijn mogt, die in de calche medekwam; teleurgesteld, toen het bIeek, dat het slechts haar teekenmeester was.

„Ah! ma chre!’ ge zult wel gefatigueerd zijn,” heette het tot Anne; „maar, Willem! is dat uitblijven!” kreeg broederlief; Dirk Goemaas werd op eene pretentieuse reverentie onthaald; Betje moest zich met een: „welkom buiten!” vergenoegen.

„Schoot de schilder er dan over?”

Hij zou het gedaan hebben, als Willem hem niet bij de hand had genomen. Zonder vana den rid naar den Heemsteeschen weg te reppen, zei hij:

„Jufvrouw Ovens, mijnheer van Veen!”

„Vergeef mij,” herstelde Louise hare lompheid; „maar we zijn oude kennissen,” – en weg huppelde zij, Anne en Betje metroonende. „Willem, neem jij bij de heeren de honaeurs waar!”

„Malle meid!” klonk het haar na.

Mevrouw Ovens – we zijn binnen, merkt ge, en onze dames hebben heur toilet gemaakt – mevrouw Ovens had ditmaal haren gasten eene welkome verrassing voorbereid: spijt rheumatisme,’ spijt tic, was zij wel. Hoe kon het anders? zulke iriteressante log’s’: la belle pianiste en een zeeofficier! Uit haren fauteuil gerezen, wees zij hun, op den arm van den laatate leunende, den weg – het was de tweede verrassing, niet naar de eetzaal, niet eens naar den koepel, neen, naar de charme van de plaats, waarop zij het djeuner had doen gereed zetten, in de open lucht. Het is waar, de dag was er warm te over voor; maar echter, quel risque voor haar aandoenlijk gestel; „uw papa,” zei ze tot Dirk Goemans, „zou ’t mij niet permitteren; pardonneren moet hij ’t mij toch!” Weinige schreden wandelens, en zij waren er: eene linde breidde hare lommer uit over een terras, dat in het duin hoog genoeg was aangelegd, om de kronkeling des wegs aan uwen voet te zien, en welks westzijde door de helling zelve voor allen togt beschut bleek.

„Hier is mijn hoekje,” zei mevrouw; „een lief gezigt, niet waar? Mes amis, rafraichiseez-vous!”

De op het terras gebragte tafeltjes boden er gelegenheid toe; een paar knechts maakten het den gasten gemakkelijk; onder de geurende linde waren vleesch en vruchten, waren wijn ee water een dubbel genot. En echter, wat zou de schilder zich gaarne met een enkele bete, met eene enkele teug hebben vernoegd, als hij zijn sehetsboekje voor den dag had durven halen; als mevrouw Ovens niet zijne gastvrouw was geweest. Anne Graevestein lachte zoo schalk, toen zij, naar Willem omziende, dezen gewaar werd, terwijl hij Dirk Goemans bescheid deed, op de toast van den zeerob: „Als je een liefste hebt, dan jou liefste, Wim!” Driftig stiet de zoon des huizes aan; vocht en glas spatte en scherfde om hem heen. Het zou een croquis hebben kunnen worden, Victor Adam waardig, vooral door het suprme ddain, waarmede Louise op de cabaret-scne nerzag; maar van Veen kende mevrouw Ovens te wl, om niet te vreezen, dat ze zijn gedrag indiscreet zou noemen, en toch de esquisse behouden. – En zag hij dan niet, welke karikatuur zij zelve opleverde, omgeven, omzwierd, omstrikt, gepelerind en, gefichud en geshawld, door allerlei opschik, waarmede ge de winkelkast eener modiste hadt kunnen vullen; opleverde tegen dien stillen duinachtergrond, veeltintig zilverzand, slechts hier en daar door de uitstekende boomwortels bruingeaderd? Waarlijk, ik weet het niet; maar indien hij de kunstbloemen in hare lokken, indien hij de halssieraden, welke Frstenhaupt en Dammerval beter wisten te waarderen dan hij; indien hij hare dwaasheden dien dag eens had voorbijgezien, om den wille des heuschheid, waarmede zij hem als gast ontving, zoudt ge minder van hem houden?

„Mijnheer van Veen!” brak mevrouw Ovens de stilte af, die ten leste het gedruisch van het tafelgereedschap en de daaronder gevoerde gesprekken verving. „Louise zal heden van u leeren zien; – accompagneer mijne gasten op het duin, en dineer later met ons.”

„Verpligt, mevrouw! – wat de wandeling betrek, ik zal gaarne van de partij zijn; maar u weet, over een paar uren wacht .men mij op Bronste, verpligt dus voor de eer –”

„O mijnheer van Veen!”

En mevrouw Ovens rees op, als was de charme van de plaats geweten; andermaal leunde zij op den arm van den zeeofficier.

„Willem!” vroeg zij, toen ze weder in de gezelschapskamer waren gekomen, en hare gasten zich, bon gr, mal gr, op hunne vertrekken voor de gemproviseerde wandeling kleedden; „Willem, mon enfant, hebt ge aan mijne depches gedacht?”

„Journalen, couranten. en brieven, mama! het pak ligt op uwe bureau.”

„Dat belooft ten minste een uurtje, waarin ik mij niet vervelen zal.”

En terwijl mevrouw Ovens zich in deze verdiepte, waren hare gasten de plaats af, den weg langs, het dorp uit, het duin opgegaan; Louise, den forschen arm van Dirk naauwelijks aanrakende – Willem met Anne, – de schilder, – och, arme! hij had wel zoo beleefd moeten zijn, – tot de ongezellige gezelligheid van het nufje gedoemd! Maar de glooijing verkeerde schier in steilte, maar de weg werd naauw, en de heeren sprongen vooruit, der dames de hand reikende, bij het klimmen; hoe de zeerob het stuivende zand verwenschte, waarop de voet geen’ vat had, zeide hij. En blinkert was bestegen, doch de zee daarom nog niet te zien... „Hooger!” riep de schilder; „eerst omgekeken, als we daarginder zijn.” En ons nufje gleed achteruit, maar Willem, die boven haar was, stoof het kind met eenen sprong op zijde, en reikte, haar om de middel optillende, het blozende ding aan Dirk Goemans toe. Als hij dat Doortje had mogen doen, hoe gaarne zou hij haar naar boven hebben gedragen! „Vergun mij,” vroeg van Veen, – en waarom het verheeld, dat de oplettendheid Anne streelde’t – „vergun mij,” terwijl hij den doek, dien zij tot nog toe op den arm had gedragen, haar om den hals knoopte, – en wer een blinkert was onder de knie. „Als de volgende nu de hoogste niet is, dan geef ik er den brui van,” zei de zeerob, terwijl hij met zijnen eigenaardigen gang opschoof, „zoo je me uitlacht, Willem! kom aan boord, en ik zal revanche nemen;” maar greep er niet minder gretig de hand om die de flinke jongen hem bood, waar het helmkruid nog glibberiger was dan het zand zelf. „En nu, mijnheer van Veen!” riep Louise; – want boven waren zij – „denk aan wat u mama beloofd heeft: leer ons zien!”

Een oogenblik verliep, eer de schilder antwoordde; toen hij oceaan en landschap, en landschap en oceaan beurtelings had gadegeslagen, zei hij:

„Alsof men van een’ dichter eischte: leer ons voelen!”

Het woord vond werklank in het gemoed van Anne, die tot geen’ prijs den indruk, door het schouwapel op haar gemaakt, zou hebben ontleed, ten behoeve van derden; maar zich gesterkt gevoelde, om den last des levens, hoe zwaar die zijn mogt, te dragen, als was de eeuwigheid haar in die zonnige zee veraanschouwelijkt.

„Een schip! een schip!” riep de zeerob.

„Waar?” vroeg Willem.

En Dirk Goemans strekte den wijsvinger uit, en wees, waar een wolkje ten zuiden aan de kim opdoemde; vruchteloos staarde Wim.

„Zie, jufvrouw Graevestein!” zei de zeerob.

„Och, mijnheer,” was haar antwoord, „begrens me die oneindigheid niet!”

„Jufvrouw Ovens,” had de schilder de onvoorzigtigheid aan te merken, op Dirk Goemans wijzende; „daar heeft u het zien, dat men leeren kan, – hier heeft u het voelen, dat niet te leeren valt.”

En hij zag naar Anne Graevestein op.

„Zoo, mijnheer van Veen?” zei Louise spijtig.

„Versta mij wl,” voegde hij er bij, zich naar het landschap keerende; „u te doen opmerken, hoe leelijk het werk van menschen is, in tegenoverstelling der schepping van God; – de loodregte lijnen dier fabrijkgebouwen, in het verre verschiet bij voorbeeld, vergeleken met de golvende glooijing der duinen aan onzen voet; .of de roode daken en witte muren van gindsche huizinge,

naast den suizelenden sluijer in de graangewassen over de aarde gespreid, wie zou schilder wezen, die het niet kon? Maar wie ook zou, dusdoende, uwen smaak niet beleedigen, alsof gij die aanwijzing behoefdet? Als u van zien spreekt, ik weet het, dan bedoelt u iets hoogers, dan verlangt u geene verklaring, waarom de kronkeling van dat water het oog verrukt, – waarom de blik die gretig volgt van voor-, tot midden-, tot achtergrond, hier wegschuilend onder het boschje, en daar te voorschijn springende bij de hut; neen, dan wilt ge leeren zien, welke schikking van voorwerpen, welke schakering van kleuren indruk maakt, en waardoor die dat doet; maar geloof mij, het valt met den vinger niet aan te wijzen, tenzij men het zelf voele; het is gave, het wordt niet geleerd.”

Anch’io son pittore!” zag Anne hemaan, maar wachtte zich wel het te uiten.

„Acht mij niet aanmatigend,” voer hij voort, „om die teregtwijzing; ik wenschte, dat het verband tusschen gedachte en gevoel mij helderder ware, en ik zou u meer kunnen zeggen. Mijn werzin tegen regte lijnen, om maar iets van het onverklaarbare bij te brengen, verloochent zich, ik beken het, als ik den toren van eene dorpskerk uit de lommer zie steken, want de heugenis van het Huis des Heeren, want de herinnering aan het heilige overmeestert me...” en hij raapte den zakdoek op, dien Louise Ovens voor zijne voeten vallen liet...

„Dank u, mijnheer van Veen!” zei ze.

„Integendeel, ik dank u, jufvrouw!” en in Anne’s oogen lezende, dat hij begrepen was, haalde hij zijnen cigarenkoker te voorachijn, en lachte hartelijk, toen Willem, onder het vuurreiken, gulgaauw tot hem zeide:

„Jongen, je moet met mijne zuster zoo hoog niet praten; zij leert maar uit liefhebberij, – doch zeg eens, wat voor gebrekkige heeft Goemans daar opgeschommeld?”

Aller oogen rigtten zich naar den zeerob, die hen zwijgende verlaten had. „Jaap Janszen!” riep de schilder, „hoe drommel komt hij hier? – Hij is mijn model geweest voor mijn laatste genre-stukje,” voegde hij er tot zijn gezelschap bij.

„Een saaije figuur,” merkte Louise aan.

„Er stak nogal pozij in, jufvrouw Ovens!” – en de kring stond stil, daar zij Dirk Goemans hadden ingehaald, stond om den jonkman van nog gene dertig jaren heen, dien de zeerob fluks had geloofd, toen hij vertelde, dat hij matroos was geweest.

„Dag Jaap, hoe gaat het?” sprak van Veen hartelijk, en greep de linkerhand van den verminkte, die geen’ regterarm meer had.

„Och, hoe zou ’t gaan, mijnheer? altijd wenschende, dat ik in eene week, tien, twintig jaar ouder mogt worden: ’sdaags klim ik op de duinen, en ’s nachts droom ik van de zee; voor het overige ben ik een doeniet.”

„Dat zeggen zij je in den molen niet na, Jaap!”

„Ik heb het er in uitgehouden, mijnheer, al dacht ik nooit, dat het gaan zou – mijne zuster is in de kraam geweest; zij heeft een’ jongen als eene wolk.”

En hij zweeg een poos.

„Heb je lang gevaren, maat?” vroeg Dirk Goemans.

„Zestien jaar, luitenant! Ik was ter sluik aan boord geraakt.”

En hij lachte in zich zelven.

„Ter sluikf” herhaa;de Anne.

„De visscher, jufvrouw, vond me ’s ochtends in zijn netten; moeder wou niet hebben, dat ik varen zou; zonder dat Kees het wist, was ik megezeild, „maar de borst hield zich puik,” ze de man, toen hij me wer te huis bragt, „hoe rouw het wer was.” ”

„En van toen af mogt je varen?” vroeg Dirk Goemans.

„Vader had er niemendal tegen, luitenant! Ik had nooit zin in den molen gehad, en Louw, – we waren maar met ons beide kinders, – was een ware meelzak. Moeder ging het al nader aan het hart; ik zie haar nog voor mij zitten, zoo als ze op Biddag in de kerk zat; er vielen heete droppels op haar kerkboek, – en toen wij naar huis gingen, en ik opsprong van vreugd, bij het zien van de buis, waarin ik zou uitzeilen, och, toen schudde zij het hoofd: „Kind! kind!” zei ze, „God geve, dat het je nooit berouwe!” Gelukkig zou ze mij nooit zoo zien.”

Was er iets welsprekends in den blik, dien Jaap Janszen bij die laatste woorden op zijn verminkten arm sloeg? De meisjes waren aangedaan, de mannen lieten hem voortvertellen.

„Ik ben overal zoo wat geweest, luitenant, waar ons volkje nog wat te doen heeft; een’ keer of drie met eene kof naar de Middellandsche Zee, om kaas te brengen, weet je – toen naar de West, en eindelijk naar de Oost, waar ik mijn arm brak, ik weet nog niet hoe, maar wis genoeg, om er levenslang mooi me te wezen. „’t Is gelukkig, dat je een tehuiskomen hebt,” zeiden de maats van den bak, en zeker het was gelukkig, want ook mijn voet ie niet vlug meer,” – en hij hief eene kruk op, waarme hij den hinkpoot te hulp kwam; – „gebrek heb ik wis niet; als de molen maalt, maalt hij voor mij me, sehoon vader ter ziele is – maar niettemin heb ik in het laatstejaar wel honderd malen gewenscht, dat ik dood was!”

„Hoe!” ze Anne.

„Och, jufvrouwlief, je weet niet wat een lust het varen is voor iemand, die als ik, van kinds af, ik mag wel zeggen, de zee liefhad. „Kom me, kom me,” zong ieder eb voor mij, en als de vloed opzette, dan zat ik in gedachte op het schuim. – En dan, luitenant, ik had overal mooije meisjes gezien, maar nooit aan een hylik gedacht; dat valt zoo niet in een’ matroos, als je weet – maar, daar vrijde mijn bror, toen ik te huis kwam, met een kind, dat ik altijd wel had mogen zetten, dat mij wel eens zoo onverhoeds voor oogen stond, als ik de wacht had aan boord....”

„Jaap, je bent het immers te boven?” vroeg van Veen.

„Zei ik dan niet, dat ze in de kraam is geweest? dat zij een’ jongen heit als eene wolk! Of zij al zes, zeven kinders had, ,dat ik er me varen kon op de Brouwerskolk; of zij een dochtertje had, dat ik op mijne knie mogt nemen, en zeggen: „kus mij, kind!” zonder dat men van mij zei: „kijk! die stumper vrijt ook!” ”

Hij had zijn hart lucht gegeven: hij zweeg.

„Jongens, Jaap!” zei de sehilder, „je stukje bevalt z, dat ik je nog eens voor model hebben moet. Ik koos hem op het duin, uitziende naar zee,” voegde hij er tot Anne bij, „en in zijne matrozenplunje, verminkt als hij is.”

„En ieder die ’t stukje zag,” getuigde Jaap naf, „kon ’t mij aanzien: wat ik graag wer varen zou!” –

„Jaap, tot werziene!” zei de schilder, en niemand der overige gasten, die niet beloofde den matroos eens op den molen te zullen bezoeken; – voor zij Lindenhof weder opwandelden, nam van Veen afscheid en sloeg den hoek naar Bronste om.

„Een geniaal mensch,” zeide Anne.

Louise zweeg; Willem vulde aan: „die een wergaas mooi meisje heeft.”

En het diner op Lindenhof wae gereed, – doch alles, wat ik er van te vermelden heb, is, dat mevrouw Ovens aan migraine souffreerde, ten gevolge der dphches.

„Louise!” zei ze, „de halve wereld kan niet komen, maar Hendrik van Oudenhove nam de invitatie aan.”

Anne Graevenstein werd bleek, doch gelukkig merkte niemand het op.

[Hoofdstuk 8]