E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

DE ZUSTERS

[Hoofdstuk 7]

VIII.

De portefeuille onder den arm, verliet van Veen omstreeks vijf ure Bronste; onze epicuristen mogen er het hoofd over schudden, zoo hard het hun lust, hij was gelukkig te moede, al had hij voor dien dag, bij wandelen en les geven, zijn middagmaal ingeschoten.

Enig kind zijner ouders, was van Veen de steun zijner moeder geworden, maar langs geheel anderen weg dan zij gemeend had hem te doen bewandelen. Vroeg weduwe, had ze den linnenwinkel haars mans voortgezet, ten einde het jongsken daarin eens zijn bestaan vinden mogt; – het bestuur der zaak, dacht zij, zou haar niet zwaar vallen, dewijl zij er van kindsbeen af in was opgevoed; – hare ouders hadden die gedreven, haar man ze te hunnent geleerd. En wanneer eerlijke beginselen; wanneer heuschheid jegens, wanneer dienstvaardigheid voor hare kalanten volstaan hadden, om haar te doen slagen, zij zou rijk geworden zijn. Haar goed-, rond gezigtje, hare blanke vingers, pasten zoo volkomen bij dat hagelwitte weefsel, waarvan zij den fijnen, maar sterken draad te regt prijzen mogt. Beide, de koopvrouw en de koopwaar, als ge mij de uitdrukking vergunt, waren even hollandsch-mooi, even hollandsch-deugdzaam. Van ’s ochtends vroeg, tot ’s avonds laat, zat zij in den winkel, achter de kleine vensterglazen, zat zij er altijd eenig werk ter hand, zat zij er nooit leg; en echter, waaraan haperde het, dat haar vertrouwen beschaamd werd, dat de zaak verliep? Al zeldzamer overschreden kijkers, die nog geene koopers zijn, zoomin als bloesems vruchten, maar die tot elkander toch ongeveer in dezelfde verhouding staan, al zeldzamer overschreden zij haren drempel. Er gingen ochtenden en middagen om, gedurende welke zij naauwelijks behoefde op te staan, van het oogenblik af, dat haar jongen, naar school springende, de stilte in haar huisje achterliet, tot het oogenblik toe, dat hij met zijne makkers de stoep wer opstoof, maar voor haar de vreugde niet medebragt: er was niets verdiend! Overeischte zij misschien ’t doch met minder winst, het heugde haar, het haren vader te hebben hooren zeggen, ging men de poort uit. Werd zij wellicht beet genomen door de fabrikanten, van welke zij inkocht? maar die zelfde menschen hadden hen weleer steeds naauwgezet bediend. Of behoefde de zaak, om goed te gaan, inderdaad het toezigt eens mans? het waren vragen, die zij zich zelve deed aan het einde van het tweede jaar harer verpeefsche pogingen, De tranen schoten haar in de oogen, schoon zij een omzien vroeger had geglimlacht, bij de herinnering aan het onderscheid tusschen de beide vrijers, die zich om haar als weuw hadden beijverd. De eene, een fijmelaar, van niet onder de vijftig jaren, had haar aan den uitgang der kerk opgewacht, om haar onder zijne katechiseermeestersparapluie te nemen, met een beschermend: „Zuster! ik zal je droog te huis brengen.” Vreemd had zij opgezien; maar zonder blikken of blozen was hij hare verbazing te keer gegaan, met de vraag: „We zijn immers alhmaal broeders en zusters in den Heere?” Het was alle betrekking gebleven, waarin zij tot hem verlangde te staan. De andere, een wildzang; maar van over de dertig, was onder het eerste voorwendsel het beste op de toonbaak gaan zitten om een praatje te maken, en het had niet aan hem geschort, dat zij nog nooit in de Varits was geweest: „Z zijn jeugdig leven te verkniezen, is zonde en schande!” Den volgenden dag was hij wer langs gekomen, maar hare deur stond niet open, maar zij groette no. „Gemorken!” mompelde hij, en ging verder. Waarlijk, geen van beide aanzoeken had zij een oogenblik overlegs waardig. gekeurd; doch als haar een passender voorslag gedaan werd, zou zij „ja” moeten zeggen, om haar kind? Ik zeide, dat ze in eenzaamheid zich niet werhouden kon te schreijen; mogt zij haren Gerrit dan vergeten? kon zij het zoo vroeg al doen? Wat was zij dwaas, daarover te peinzen; had zij dan geene zorgen die zwaarder wogen? Hoe weinig zij van boekhouden wist, het leed geen’ twijfel, dat zij inteerde, en wie verzekerde haar, dat haar jongsken ooit met lust linnenkooper worden zou? Hij was nog tusschen mal en vroed: maar, een winkelier in den dop, ach, wat had hij er van? Eene boodschap doen, een pakje te huis brengen, hij was er de willigheid zelve voor; doch luisteren naar haar loven en bieden, doch opmerken hoeveel de onderscheidene soorten van linnen verschilden, zij had er hem nog nooit op betrapt, hij gaf er niet het geringste blijk van. Achter de toonbank te staan, hoe ongaarne deed hij het; maar achter de toonbank te zitten, in het hoekje aan het venster, met een stukje papier en een potlood, om den eersten voorbijganger den besten, die hem door iets bijzonders in gewaad of gestalte trof, uit te krabbelen, dat was zijn lust! Had zij hem soms niet van daar moeten jagen, dewijl de schalk het ook hare kalanten deed, terwijl zij met deze stond te praten? –. Had zekere bogchelige regentes van een weeshuis, dat zij bediende, er hem niet op betrapt, er haar niet voor doen boeten? Echter was het meer geweest, dan de alledaagsche napens; of wilt gij het liever veredeld uitgedrukt, alledaagsche nabeeldingszucht, die in de meeste kinderen steekt, en hen gewoonlijk het eerst naar de gebrekkigen doet grijpen, niet enkel dewijl die belagchelijk, maar ook, maar vooral, omdat zij in het oog vallende zijn. – Een groot heer, een oud vrijer, die twee en zeventig overhemden kocht, had het jongsken bij zijn prullaria van schetsen verraat, had die doorgesnuffeld met blijkbare belangstelling, had hem eene plaats op de Academie der Beeldende Kunsten beloofd, en om den wille der handshoogte, die de knaap opsprong toen hij hoorde, dat hij teekenen leeren zou, woord gehouden. De weduwe van Veen verweet zich zelve in de overpeinzing, van welke ik sprak, dat zij de bede had ingewilligd, wat zeg ik? dat zij, door de vreugde van haar kind verleid, er den grooten heer mede om had verzocht. Schoon de borst zichop de burgerschool, die hij ’s daags bezocht, door zijne vlugheid onderscheiden bleef; schoon zijn gedrag haar geene reden tot klagten gaf, het vooruitzigt, dat er eens een bezadigd winkelier uit hem groeijen zou, was niet helderder geworden, sedert hij zijner aangeboren zucht voor de kunst botvieren mogt. Maar al ontbrak der moeder, in spijt van het gevaar, dat zij er uit voorzag, de moed, haar eenig kind die vreugde te ontzeggen, de vrouw vergenoegde zich met eenen zoo onbevredigenden uitslag der beschouwiug van haren toestand, als louter verzuchten zou zijn geweest, niet. Wakende bragt zij den nacht op haar eenzaam leger door, tot de klok vier ure sloeg; toen scheen zij een middel ter gemoetkoming in hare uitgaven te hebben gevonden; toen bad zij, toen sliep ze in. Den volgenden morgen vroeg ontwaakt, leed het niet lang, of een timmermansknecht spijkerde een bordje aan eenen der posten van hare deur: „ Twee kamers te huur.” Hetwas geen klein offer, kommensalen te gaan houden voor haar, die het nooit bij hare ouders gewoon was; het zou hard zijn, hare vrijheid te missen, maar liever dat, dan achteruitgang, dan armo. De buurt bad er den mond vol van – een weewtje, dat heeren in huis nam, – de meid vertelde het haar; – Warner, zoo heette haar kind, vroeg zijner moeder herhaalde malen, waarom zij toch schreide, maar kreeg geene verklaring; – van welk verdriet zij hem vertrouwde konde maken, van dat niet. Intusschen, hare onschuld, haar doel zieh bewust, ging het spoediger voorbij, dan zij had geloofd, dat het geval zou zijn; – in het verhuren der vertrekken, liep het haar mede: – de huisheer, dien zij begrepen had er kennis van te moeten geven, bewilligde er in; na verloop van eene maand ontving zij de haar verschuldigde huurpenningen, zij had er geen’ cent meer om verteerd. En vrolijk, meent ge misschien, vrolijk zat zij weder in haren winkel, en verbeidde wie komen zou? Gij bedriegt u, ge doet het u niet alleen, dewijl de laatsten slechts weinigen waren. Ten gevolge van haar rusteloos nadenken, rees er een vermoeden bij haar op, een vermoeden, dat zij zich zelve te ontveinzen, dat zij, toen ze dit niet meer kon, te ontzenuwen zocht; het vermoeden, dat de tijd voor winkels als de hare, verstreken was, daar de groote magazijnen alle koopers tot zich trokken; daar slechts de groote magazijnen hunne inkoopen op eene zoo uitgebreide schaal konden doen, dat de lagere prijzen, waartoe zij verkochten, nog winstgevende konden zijn. Als de luttel kijkers, die nog te harent kwamen, geweten hadden, wat er omging in het harte dier vrouw, welker gelaat met iederen dag magerder werd, zij zouden haar niet zoo wreed hebben gezegd, dat zij te weinig voorraad had, om te kunnen uitkiezen, dat men zich elders, dat men zich bij .... zoude voorzien. Als de koopers, die haar verlies boden, en welke zij toch vreesde te laten gaan, en wien ze eindelijk het linnen maar veil gaf, omdat de wissels geen uitstel meer leden; als zij vermoed hadden waarover zij met die weduwe, met die moeder onderhandelden, zij zouden niet zoo onbarmhartig hebben gedongen. Doch laten wij geene deernis vergen, waar de verhouding de gedachte aan haar niet eens doet opkomen, waar men haar ziekelijke gevoeligheid schelden zou; – het koelste verstand zal ons na die erkenning te eerder toegeven, dat die vrouw beklagenewaardig heeten mogt; eenen raadsman missende, die haar het opgeven der worsteling gebood. Er kwamen nachten, waarin zij er, ook zonder dezen, aan dacht; waarin zij het denkbeeld, haren toestad den schuldeischer open te leggen, niet langer met afschuw van zich stiet. Maar als de dag aanbrak, keerde met dezen de hope wer; maar als Warner haar goeden morgen kuste, vroeg zij zich in stilte af, wat er dan van haar, wat er dan van hem worden zou?.... En weder eene week lang, weder eene maand, zagen hare oogen uit naar betere dagen, en, och! hoe zij God dankte, als eene enkele maal hare verwachting werd vervuld, hoe haar geweten zich dan een’ oogwenk verruimd gevoelde van den last, die er allengs op begon te wegen, die dagelijks drukkender werd! Het waren echter maar witte raven, en zij besloot den opgeschoten’ knaap over hunne toekomst te spreken; zij wilde.... wat? verligting, ten koste van zijne opgeruimdheid; gedurende de weinige maanden, die het aan haar stond, hem nog zorgeloos te laten genieten? – de woorden stokten haar in de keel, en zij luisterde naar het verhaal zijner vorderingen op de Akademie, als had zij hem niets te zeggen gehad. Inderdaad, de laatste waren groot, grooter dan zij waarderen kon, grooter nog, dan hij zich vleijen durfde; – de volgende prijsuitdeeling overtuigde er beide van. Welk een zamenloop van lief en leed! Daar kwam Warner den winkel in, het geschenk onder den arm, het hoofd duizelig van de bevordering tot de klasse naar het leven; moeder was niet achter de toonbank; moeder liep in de binnenkamer heen en wer; moeder pakte haar goud en zilver zaam. Voor het eerst was er een deurwaarder in haar huis geweest; heth protest harer acceptatie lag op de tafel. Als zulke herinneringen niet tot diegene behoorden, welke men zich met geen’ glimlach weder te binnen brengt, hoezeer men dien toestand te boven kwam; als zij niet altijd pijnlijk bleven aandoen, dewijl schaamte ons op dat oogenblik het bloed naar de wangen joeg; dewijl de vreeze voor schande ons hart krimpen deed; hoe goed zou van Veen dien oogenblik nog in een genreschilderijtje kunnen veraanschouwelijken! Moeder weende uit aan zijn hart; – moeder wierp schichtig een’ doek over de weinige kostbaarheden, op de tafel uitgespreid, toen de meid, door nieuwsgierigheid naar de binnenkamer gelokt, hen bij deze dreigde te verrassen; – moeder nam in allerijl hoed en doek. „Neen,” zeide Warner, „dat kan ik doen;” en zoo er zijn, die het alledaagsehe leven prozaisch wanen, ik wenschte, dat zij zich den jonkman voorstelden, die een oogenblik te voren in de wolken was over den door hem behaalden prijs, en die nu de eene straat voor de andere straat na insloeg en uitging, tot het zoeken van een afgelegen pandjeshuis. Hij vond er eindelijk een, door niemand bespied; – hij gleed het in, hij stapte het uit; – hij was in een omzien weder in den winkel van zijne moeder. „Waar woont de deurwaarder?” fluisterde hij, – en had het naauwelijks gehoord, of was al op weg. En de man mogt niet meer te huis zijn, mogt onder zijne pijp en zijne flesch een partijtje maken in zijne societeit, hij bewoog dezen het geld aan te nemen – de deurwaarder zou het hem gerust tot den volgenden morgen hebben gelaten; hij zag wel, dat zijn bezoek het eerste geregtelijke bij de weduwe van Veen wasgeweest! De goede vrouw, zij had in lang geenen zoo gelukkigen avond doorgebragt, als deze voor haar werd, onwillekeurig bemoedigd door de beradenheid, die Warner in het gevaar had betoond, door de plannen, welke hij voor de toekomst ontwierp. „Opgeven,” zeide hij – „fout, failliet,” wilde niet over zijne lippen; – „opgeven, dat mogten zij niet! een weinig geduld nog, en hij zou haar helpen het geleden verlies te boven te komen.” Hoe gaarne achtte zij waarschijnlijk, wat zij wenschte! En echter, toen middernacht geslagen was; toen de beide kommensalen waren ingelaten, en moeder en zoon, nadat de laatste het huisje gesloten had, naar bed waren gegaan, toen bleek het hem als haar, in dubbele eenzaamheid, hoe flaauw de hoop was, waarmede zij zich vleiden. De weduwe van Veen had het onwer zien overdrijvea, zonder dat de bliksem was ingeslagen; maar de lucht was daarom voor haar nog niet helder, en geen tweede maal kon de lombard hun alfeider zijn. Warner had zich veel voorgesteld van zijne toekomst als kunstenaar; doch hoeverre was hij in den zaaitijd nog van den oogst, en, trots al zijn’ moed, waarvan zouden zij leven, tot hij de vruchten van zijn talent plukken zou? „Ik zal zien wat ik kan uitzuinigen,” had zij gezegd; doch toen zij den volgenden ochtend de hand aan die taak wilde slaan, toen moest zij zich zelve bekennen, dat er niet meer in te krimpen viel, zoo zij geen gebrek zouden lijden aan het noodige. „Ik zal beproeven wat te verdienen,” had hij beloofd; maar hoe vurig hij het wenachen mogt, waartoe was hij geschikt, wat kon hij doen, met behoud van het uitzigt op de verwezenlijking zijner zoetste hoop? Beider karakter werd op den toets gesteld in den bangen tijd, dien zij hadden door te worstelen. Uitwinnen zou de weduwe van Veen en der ne meid, die werk te over had, daar zij de kommensalen mee bediende, werd de dienst opgezegd; en een kind van een jaar veertien, vijftien, enkel voor den dag, in hare plaats genomen; alles, waarin dit te kort schoot, vulde de jufvrouw zelve aan. Het was slooven van den ochtend tot den avond. Maar al kwam de wildzang, dien zij tot tweeden man had kunnen krijgen, hare deur voorbij met een dametje, toegetakeld als eene pnnses uit een paardenspel, zij zuchtte niet; maar al bleef de fijmelaar, die haar droog te huis bragt, voor haar venster drentelen, zij wierp hem geen oogje toe. Gerrit stond haar levendiger voor den geest dan ooit. Werk zoeken wilde Warner, en werk vond hij, al was het er naar, in prenten kopijren en platen kleuren, voor een prijsje, als hij zijne armen lam had gewreven aan de verwtafel van een’ meester zijner kennis, die hem schilderen leeren zou voor niemendal; werk, dat hem eenige weken te voren zou hebben verdroten, maar dat hij thans gaarne deed, denkende aan de guldens, die hij er moeder door ter hand stellen kon. Wat ging het hem aan, dat zijne vroegere makkers hem den naam van gierigaard gaven; dat zijne kennissen hen die niet uitging, allengs lieten loopen; de kommensalen zijner moeder mogten zoo laat te huis komen, als zij wilden, hij wenschte, hen wachtende, niet met hen te zijn uitgeweest. Wie is er onder mijne lezers die aan moeder of zoon den lof onthoudt, dat zij en hij de proef doorstonden, de proef der verloochening en ontbering, waarop zoo velerlei liefde bezwijkt? Of twijfelt iemand er aan, dat zij ouder dat leed inniger, hartelijker aan elkander waren verknocht, dan eer de weduwe aan Warner beider toestand. Openbaarde? Dat hij hen hadde gezien, elkander voorkomen in de vervulling dier weinige wenschen, wier bevrediging hen niet werd ontzegd! Het is hartbrekend er te moeten bijvoegen, dat de dubbele zelfopoffering niet baten mogt, om de kanker des verloopen’ winkels tegen te gaan; – nog altijd verzette zich het eergevoel van Warner tegen het inroepen der genade hunner schuldeischers, of die der wet, – en de moeder willigde die vergeeflijke, schier had ik geschreven die vereerende zwakheid, slechts te gaarne in. Eene maand zes, zeven hadden zij beproefd het hoofd omhoog te houden, en waren er, worstelend als ik hen schetste, in geslaagd; daar naderde de 1ste Mei, de dag der verschijning hunner huur, de dag der vervalling eens wisselbriefs, van nog grooter bedrag dan dien, waarover ik straks sprak; en schoon Warner zich lang met uitkomst vleide in de laatste week van April gaf hij den moed op: er was zo weinig verkocht, en de zaamgegaarde som reikte niet eens voor de helft van een’ der beide posten toe. Luttel wisten moeder en zoon, welk eene verzoeking hun bewaard was, toen drie dagen vr den eersten een man van jaren hunnen winkel binnentrad, en eene der fijnste linnensoorten verzocht te zien. De weduwe van Veen rolde stuk bij stuk voor de kleine, maar dikke gestalte, in meer dan halfsleten’ overjas, open; Warner wist naauwelijks waarom hem eene huivering door de leden voer, toen hij opmerkte, dat de oude minder de fijnste der draden, dan de uitdrukking van het gelaat zijner moeder gsloeg. – „Hoe gaat het met de negotie?” klonk het uit den tandeloozen mond, ea Warner begreep waarom hij gehuiverd had, door het accent, waarmede het laatste woord werd uitgebragt; die man, in wien hij instinctmatig een’ woekeraar had gezien, was inderdaad een Israeliet. „Zoo, zoo!” beantwoordde de weduwe van Veen zijne vraag; maar haar gedrukte toon, maar haar ingevallen gezigt wijzigden de uitdrukking in die mate, dat de kijker niet aarzelde er op te laten volgen: „Een slechte tijd, jufvrouw; veel behoeften en weinig verdienste!” – „ Wel waar; mijnheer,” zei de sloof, en ik vergeef het haar, al had zij, het laatste toestemmende, het eerste moeten ontkennen. Hetzij de jood iets dergelijks op Warner’s gelaat las, die stug aan het einde der toonbank staan bleef; hetzij het terugnemen van het verwijt slechts een middel was, om den gebroken’ draad des gespreks wer aan te knoopen, hij voer voort: „Dat gaat gekleed, prinselijk – nah, ik zeg het niet van jou, en van je jongen ook niet,” – Warner zag al stugger, – „maar van je koopers, jufvrouw! die misschien van verleden jaar nog te boek staan! Wat zouden er al eerlijke lui bankrot zijn gegaan, als goede menschen, zoo als ik, hen niet uit de benaauwdheid hadden geholpen!” En de oogen van den ouden woekeraar gingen van moeder tot zoon. „Ah! l’honnte homme!” las de verzoeker in de oogen der vrouw; maar de straffe uitdrukking van Warner’s gelaat voldeed hem niet. „Sta je me meer stukken te laten zien?” vroeg hij eensklaps, en onwillekeuriger heeft nooit dogge gehoorzaamd, dan de jonkman nog eenige rollen op de toonbank smeet „Er is kwaad geld bij,” grijnsde de oude, bij iedere prijsvraging; „er is kwaad geld bij,” maar deed geen bod, maar nam spoedig afscheid, onder de belofte over een paar uur wer te zullen komen; „we doen zeker zamen negotie, als het je zoon maar belieft!” Hij was al eene lange wijle weggegaan, eer moeder of zoon het somber stilzwijgen afbraken, dat zijn vertrek opvolgde. Zoo was het dan zoo verre met hen gekomen, dacht de laatste, dat het roofgedierte van verre zijne prooi rook; dat zij kiezen moesten tusschen oneerlijke onderhandelingen met eenen woekeraar, of de schande, die, schier onverdiend, echter levenslang aan hunnen naam kleven zou. „Warner!” begon de weduwe van Veen. – „Moeder!” snikte de borst. – „Dat mogen we niet, woudt ge zeggen, en zweegt het slechts om mij. God loone je medelijden, jongen! Als ge wilt, we zullen wijzer gaan raadplegen, dau wij zijn.” En de knieea der vrouw knikten, toen zij zamen een half uur later de stoep der woning eens advokaats opklommen, en bleeker zag Warner haar nooit, dan toen deze een faillissement niet slechts voorsloeg, niet slechts aanried, maar in al zijne phases beschreef, opdat ze zijne beslissing billijken mogt. Wij zullen hem daarin niet navolgen; wij zullen evenmin beproeven zijne schets aan te vullen, door te gewagen, van wat hij, menschelijk, verzweeg: de verslagenheid des gemoeds, waaraan beide er onder ter prooi zouden zijn.

Warner zou zich op het oogenblik, waarin wij zijne kennis maakten, niet half zoo gelukkig hebben gevoeld, zonder zijn verleden, dat ik nog maar ten halve schetste. Welk een schild was het geweest, om hem te bewaren voor de ovrerprikkeling der zinnelijkheid, het grootste gevaar misschien aan de studie zijner lievelingskunst verknocht; – hoe zou de ontwikkeling zijner gaven eerst, geboren worden uit den val, dien zij zoo lang hadden vertraagd, dien zij zoo zeer hadden gevreesd! Eeaige dagen lang hadden moeder en zoon ervaren wat het zegt in „een’ faillieten boedel” te zitten; ervaren in alle opzigten, behalve in het eenige, waaraan zij behoefte hadden, aan deernis. De buren zagen er niemendal vreemd van op; de deurwaarders hadden immere die stoep al zoo lang plat geloopen! Dat de weduwe en Warner zich alle ontberingen hadden getroost, om de onkosten aan deze weer uit te winnen, scheen door niemand te zijn opgemerkt. De kommenaalen verwenschten het uur, waarin zig die kamers hadden betrokken, om het gevaar hetgeen zij zich verbeeldden, dat hunne luttele have liep. Schoon, zij gerust hadden kunnen zijn, dat de eerlijkste getuigenis over het mijn en het dijn zou worden afgelegd door moeder en zoon, die niets hadden verborgen, niets hadden verheeld, spraken zij geen’ van beide toe, schuwden zij hen. Er zijn oogenblikken, waarin. kleinigheden grievend krenken; onze ongelukkigen werden met verachtimg bejegend, tot door hun dagmeisje toe; de deerne durfde gen, dat zij geen goede dienst zou kunnen krijgen, uit zulk boel; De maat was nog niet vol. Het had den huisheer goed gedacht, eens-te komen omzien, hoe men het hebben zou met den voorraad linnen, dien hij vermoedde, dat zou worden geveild. „Vrouwtje! vrouwtje!” sprak hij der weduwe van Veen aan, „als jij je jongen anders hadt opgebragt”, je zoudt er nu zoo niet toe zitten.” Een zucht was al het wederwoord der gefailleerde; maar Warner sprong uit den hoek van zijnen stoel op, en bedwong toch de bitterheid, waarvan zijn hart overvloeide; want moeders blik verbood allen uitval. „Als hij een ambacht had geleerd, als hij had willen werken,” ging de onbarmhartige voort, „dan zou je nu geen gebrek hebben geleden; maar dat moest op de Akademie gaan, dat moest een lui leven leiden achter den ezel!” – Eer Warner de beschuldiging werleggen kon, vroeg eene heusche stem hem: „Schildert gij, jonkman?” Het was die van den regter-kommissaris in het faillissement. De man had zich eene lange wijle in de boeken van de weduwe van Veen verdiept, had zich een uur in stilte verbaasd, hoe men voor zoo weinig failleeren kon. „Ik had schilder willen worden, mijnheer!” antwoordde Warner verslagen, „thans...” – „Laat mij uw werk eens zien,” hernam Ten Have, want niemand anders dan hij was tot de genoemde betrekking in den boedel benoemd; het gunstig berigt, hem door den advokaat-curator over de gefailleerde gegeven, had hem uitgelokt eens naar haar toe te gaan. En Warner haalde zijne portefeuille met teekeningen voor het licht, terwijl de huisheer mompelde: „Die prullen zijn zeker niet eens het verzegelen waard geweest.” – „Is u kenner, mijnheer?” vroeg Ten Have hem, waardig. – „Ik mijnheer? och neen! – het gaat er mij bij als de aap, die in den bijbel keek,” antwoordde de huisheer grinnekende om zijne eigene geestigheid. – „Leer dan van mij,” hernam Ten Have, „dat men geen vonnis vellen mag, zonder kennis van zaken te hebben.” – „Wij zullen zien, wij zullen zien,” bromde de huisheer, en wij gunnen hem zijn grommen, terwijl wij opmerken, hoe gelukkig de schilderkunst zich achten mag, door de onafhankelijkheid, welke zij waarborgt, te onzent in de schatting van den fatsoenlijken stand zoo hoog te zijn gerezen, dat deze haar door de drieste domheid niet langer straffeloos honen laat. We staan het u gaarne toe, de algemeene vatbaarheid om haar schoon te genieten, voor een loodje in de schaal te werpen, als ge maar erkent, dat de gedachte, welk een bestaan zij opleveren kan, den evenaar doet overslaan. Stel eens, dat de jonkman, in plaats van te schilderen, verzen hadde geschreven of letterkundige ware geweest, meent ge, dat Ten Have zou hebben verzocht zijne opstellen te mogen medenemen? Dezelfde gemoedelijkheid, die hem Anne Graevestein deed afraden, zich eener zoo onzekere toekomst te wijden, als de muzijk in zijne oogen eener vrouw beloofde, zou hem weerhouden hebben oogenblik van Veea’s hoop voedsel te geven, zoo deze, in plaats van op zijn penseel, op zijne pen had gerust. En wie durft zeggen, dat hij tegenover hem, als tegenover onze pianiste, ongelijk zou hebben gehad, dat hij niet voorzigtig zou hebben gehaadeld? Ademloos – onze tusschenzin is ten einde – ademloos stond Warner aan zijne zijde, en haalde blad bij blad uit de portefeuille te voorschijn; Ten Have wees hem drie teekeningen aan: „Wilt ge morgen ochtend. om tien ure met deze bij mij komen? we zullen ze dan iemand laten zien, die er meer keunis van heeft dan ik.” Warner beloofde het, al was het andermaal uitstel, al zou’ hij er tien jaren van zijn leven voor hebben gegeven, dat de regter-kommissaris oogenblikkelijk vonnis hadde geveld. „Ongeduldige!” zei zijne moeder, toen zij weldra zamen alleen waren, en merkte op, dat hij dankbaarder had moeten zijn voor de betoonde belangstelling, dat zij Gods vinger in dat bezoek meende te zien. Helaas! Warner was zoo geloovig niet. De groote heer, – de oudvrijer, zoo hij u nog heugt, – die hem op de Akademie bezorgde, had zich sedert niet meer om hem bekommerd, had hem niet te huis doen geven, hoe dikwerf hij te zijnent aanschellen mogt; – voor Warner’s meester was de kunst maar de koe, – en tegen de professoren der Akademie had hij te hoog opgezien, om zijne schetsen onder hun oog te durven brengen. Een paar aanrakingen met kunstkoopers van beroep hadden geen ander gevolg gehad, dan dat hem door ieder’ van deze een stukje tot spotprijs was afgezet, terwijl ze zwoeren, het uit medelijden te nemen. Geen wonder dus, dat hij laag van zich zelven dacht; dat, andere Thomas, hij zich niet vleijen durfde met een vrolijk verschiet. En echter oefenden de woorden zijner moeder eenen weldadigen invloed op hem uit. Morgen, eerst morgen, maar morgen vroeg ook zeker zou hij weten,’ of hij voortaan ambachtsman wezen zou, of kunstenaar worden mogt! De uren wachtens, de uren van den middag vielen lang, maar gingen toch om; het werd avond, het werd nacht. „Is er des avonds geween, des morgens is er gejuich,” zeide de weduwe, toen zij te bed zouden gaan; maar Warner sliep niet, Warner droomde, Warner had de koorts. Zedigheid en tegenspoed mogten hem werhouden hebben, tot nog toe wakende hoog van zijn werk te denken, in zijne sluimering, slaap mogt het niet heeten, had hi zijner verbeelding botgevierd, was het hem of hij zijne moeder onderhouden kon, was het hem of het hun wl ging! De dag lichtte pas aan, toen hij wakker werd; hij was te zeer schilder, om den eigenaardigen, nerslagtigmakenden indruk onzer graauwe schemering niet te ontvangen; hij stond maar op; hij las, een uur blaadjes omslaan, en hij wist niet eens wat of waarover hij gelezen had. Het leed niet lang, of moeder stommelde beneden, ook zij had weinig geslapen, hij zag het hare trekken aan. Het ontbijt was spoedig genutigd, en toen viel Warner’s blik op eenea legen stoel, en de moeder begreep wat hij zocht. „Ik had je beste plunje wel klaar gelegd,” snikte ze; „maar wat zullen de buren zeggen, als zij je zien met je rok, in het faillisse...” Warner bedwong zijne aandoening, wat moeite het hem kosten mogt. „Zoo kan ik niet gaan, moeder! ik zal den rok dienen aan te trekken – al is het ook voor de laatste maal.” De weduwe rammelde met den sleutelbos, terwijl Warner zijne portefeuille uit den hoek kreeg; – rok en hoed lagen op den stoel, de drie teekeningen in een schutblad op de tafel: – „Ik geloof, dat ik maar gaan zal,” zei Warner. – „Het is nog geen acht ure,” hernam de moeder. – „Een’ singel omloopen zal me goed doen.” – „’t Is waar,” zei de vrouw, „en de jufvrouw hierover is nu ook nog niet op.” – „Och, moeder!” viel Warner in, „hang toch zoo niet aan het oordeel van menschen; wie weet hoelang wij allerlei laster nog zullen hebben te verduren!” – „En God is getuige, jongen, dat ik het niet heb verteerd; och, of Hij met je was!” – De weduwe liet hem uit, achter de luiken van het gesloten huis wegschuilende, en Warner, waartoe het verzwegen? zag regts noch links, zag stijf voor zich, tot hij de straat, waarin ieder hem kende, achter den rug had, tot zich in eene andere buurt eene andere wereld voor hem ontsloot. Eerst toen verloor zijne houding het schichtige, zijn stap het gejaagde, waardoor hij straks de opmwrkzaamheid, die hij wilde ontgaan, juist tot zich trok. Hij zag om zich, als ware hij weder vrij man geworden;. hij sloeg den weg naar den buitensingel in. En de stilte, de morgenlucht, het frissche landschap deden er hem goed, al genoot hij die slechts ten deele door de onrust in zijn binnenete, door de vrees, die zijn hart bijwijlen hoorbaar kloppen deed. Thans zou het toch wel tijd zijn; – och, neen! de poortklok wees naauwelijks half negen ure. Nog een’ singel, en nieuwe voorwerpen vertoonden zich aan zijne oogen en nieuwe gedachten kwamen bij, hem op; maar trots al de ontvankelijkheid voor gewaarwordingen der jeugd eigen, Ten Have, de kunstkenner, bij wien deze hem brengen zou, spookten op vollen dag voor hem in het verschiet. Eindelijk, het was over negen – en als de weg langzaam doorhem afgelegd werd, dan zou hij niet veel te vroeg aan het huis van den regter-kommissaris zijn, als hij er nu maar heenging; – waarom versnelden zich dan op de brug zijne schreden reeds, of hij haast had, groote haast? Trager dus, en hij hield den wandeltred een paar straten uit; maar wer viel hij in den draf. Ha, daar was een uitdragersstalletje, waarbij hij eene wijle kon stilstaan! „Wat van uw gading, mijnheertje? ik heb negotie voor je!” en dat accent, en dat woord negotie herinnerden hem het bezoek van den woekeraar zoo levendig, dat hij voortliep, voortstoof, of hij een’ roof had gepleegd. Daar speelde eene kerkklok half tien ure, neen, kwartier voor tienen; – vijftien minuten wachtens zijn dra om. Och! gij die het zegt, hebt haar nooit doorgebragt in eenen angst als dien, waartoe Warner’s onrust klom. Speelde de klok dan geen voorslag? vroeg, dacht hij honderdmaal, en gaf de hoop schier op, dat het ooit tien ure zou wordea. „Ting ting,” – klonk het evenwel, en hij naderde het huis; „ting, ting, ting,” hij was op de atoep, en pas zei de klok: „bom!” daar ging de schel over. „Gaat u in de zijkamer,” verzocht hem de meid, toen hij gezegd had, dat hij van Veen heette; – Ten Have was te zeer man van orde, om zelfs zoo iemand te laten wachten. Welk eene pijniging hij er door bekortte, giste hij niet eens. Inderdaad, hoe konde hij zich voorstellen, wat er omging in het gemoed van den jonkman aan zijne zijde, in den uitzonderingstoestand van dezen, bij zijne overspannen fantasie? De huizinge, waarin van Veen’s talent zou worden gewogen, was niet verre meer; haar eigenaar stond al aan een der vensters. uit te zien – een man van meer dan zestig jaar, maar bewegelijk, maar levendig, maar vlug, als ware hij pas dertig geweest. Warner volgde Ten Have de kamer in; bij bedaarder stemming zou het hem niet ontgaan zijn, van hoeveel smaak de stoffaadje van deze getuigde. Hij had er in zijne verwarring geene oogen voor; hij zag alechts het kracht uitdrukkend hoofd van den kunstkenner, door grijze lokken omkruld; en als deze ijdel genoeg was, om den indruk, dien zijne groote oogen blijkbaar maakten, een omzien te genieten, de oude was tevens soo humaan, den borst, die hem innam, door zijne heuschheid aan te moedigen. „Goeden morgen, heeren! – hoe maak jij het, Ten Have? – ha! daar hebben we onzen teekenaar – hij heeft het warmer dan ik – maar hij is ook eenige meimaandjee bij mij ten achter; – gaat zitten, heeren!” volgden elkander snel op. Ach, het was niet de voorjaarslucht, die Warner het bloed naar de wangen joeg; hij verlangde naar, hij vreesde tegelijk voor het volgende oogenblik. „Als gij wilt, mijaheer!” zeide de’ grijsaard, en hij stak de hand uit, om de eerste teekening, de van onder het schutblad te voorschijn kwam, over te nemen. Warner’s vingers beefden, toen hij haar overreikte; de oude was zoo beleefd zich te, houden, als merkte hij het niet. Eene lange pooze beschouwde hij het blad; toen knikte hij een paar malen goedkeurend,. toen schudde hij het hoofd eens. „Heeft u lang geteekend?” vroeg hij. „Vier jaren op de Akademie,” was het antwoord. „Ik teekende van mijn zevende jaar,” zeide de oude, en legde het papier ner. Warner haalde de tweede schets voor het licht: „Goed, heel goed!” klonk het, „maar...” en het bleef er bij en al was de oude heer een uur lang blijven voortstaren, de jonkman zou geen’ moed hebben gevoeld te vragen, welke partij dat „maar” gold. De arme! hij was zoo gelukkig in den uitslag, dien de toets scheen te beloven; – voor het eerst in het laatste etmaal hoopte hij meer dan hij vreesde; – als hij eenig van kunst had, dan moest de derde teekening de schaal te zijner gunste doen overslaan. „Schildert u ook, mijnheer?” zette de kunstenaar zijn onderzoek voort. „Het mag geen’ naam hebben,” hernam Warner; „ik zou eerst regt beginnen te leeren, toen...” en een hooge blos vloog over zijn gezigt. „Laat mijnheer het derde stukje zien, dat ik heb uitgekozen,” hielp Ten Have hem uit de verlegenheid, van het faillissement op te halen, en Warner deed het. „Verduiveld!” riep de liefhebber, en het was hem aan te zien, dat de groep hem beviel, als de voorstelling van een ouden haveloozen straatkunstenaar bij zijn stervend graauwtje dien naam verdient. Daar lag de ezel op het stroo, dat zijn meester met hem had gedeeld; daar lag hij, den geest gevende, zoo gij de goedwilligheid, het geduld, die in dat dier woonden, niet maar instinkt noemt. Men zag het der houding des mans aan, hoe hem die dood ter harte ging; hij boog zich over zijn’ makker, over zijn’ vriend, en de stok, wiens slagen het beest zoo dikwijls had gevoeld, ontgleed der hand des meesters; als zijne ruige wimpers ooit vocht konden worden, dan verzoenden zijne tranen thans het graauwtje. De kunstkenner zag van de teekening naar den teekenaar op; hij had, na den eersten uitroep, de schets al zwijgende, zoo lang beschouwd, het blad voor zich opheffende, dat dezen het hart weder ontzonken was; stokstijf staarde Warner den oude aan. „Heb ik mijn leven!” zei de laatste, en hield op, als door eenen plotselijken inval getroffen; „die ezel ie misteekend,” borst hij uit, en vestte zijne groote oogen op Warner. „Mijn – heer!” luidde het verslagen antwoord. „Wat, geeft ge toe?” vroeg de kunstenaar. „Och, mijnheer!” Viel Warner in, „zeg mij in Gods naam, is mijn werk geld waard? mijne moeder – ik –” en hij snikte.. „Ten Have! hoe hebben wij het?” vroeg de oude heer; en hij schelde, en de knecht’ moest water brengen en wijn ook, en kwam er me binnen, toen de regter-kommissaris de opheldering van Warner’s toestand, die ik niemand meer schuldig ben, gegeven had. „Je zult schilder worden, al zou je jaren lang voor mij alleen schilderen,” verzekerde de kunstkenner, zoodra hij Warner een glas wijn en water had doen drinken; „ik wilde maar eene proef nemen, of gij den moed zoudt hebben, wat er goeds in uw werk steekt, in mijn gezigt te verdedigen; ik mag geen’ kunstenaar, die het net durft! Doch Ten Have had mij moeten zeggen, wat molensteen u om den hals hing. Jij een linnenkooper, dat niet, maat! zoolang ik leef, zoolang er nog liefhebbers in het land zijn! Ik heb er al meer voortgeholpen, die mij nu mijne eigenzinnigheden’ niet vergeven kunnen,maar al zou je denzelfden weg opgaan, ik zal er, wie na, je komt, mits hij zoo knap is als jij, niet minder om bijstaan, tot hij mij kan ontberen.” En hij spoedde zich de binnenkamer in, waar hij zijn kantoor hield – hij was maar een makelaar – en keerde weer met tien gouden tientjes: „Van Veen, wij hebben kennisgemaakt; dat geld geef je mij in je eerste schilderij met woeker wer!”

En ik zou u mededeelen, hoe het bij die hulp niet bleef, als mij ten langen leste niet herinnerde, dat van Veen in den tijd voor mijne vertelling vereischt, wel honderdmaal van Bronste naar het optrekje had kunnen gaan.

[Hoofdstuk 9]