E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

DE ZUSTERS

[Hoofdstuk 8]

IX.

Het groote boek der natuur is voor niemand onzer gesloten; en echter hoe weinigen, die zich niet met een vlugtig omzien, eene wijle doorbladerens, een vaak verpoosd ter hand nemen, vergenoegen, schoon het van hem, die het genieten wil, dieper studie vergt, dan eenig menschenwerk; behoef ik er bij te voegen, hoeveel meer het deze verdient, hoeveel milder het er voor beloont? Eenige bladzijden, wij zullen ieder het zijne geven, eenige bladzijden is men overeengekomen te bewonderen; als ik de beeldspraak voortzetten mag, het zijn die, door welke men zich verbeeldt, van den geest des Scheppers den treffendsten indruk te ontvangen, alsof het algemeenst en dus minst ontwikkeld gewaarwordingsvermogen een’ maatstaf voor zijne openbaringen heeten mogt! Echter zijn er enkelen, en ik weet niet wat ik meer door, hen om die gave gelukkig prijzen, of om die studie hoogschatten; echter zijn er enkelen, die geen schokken behoeven, om uit den sluimerlust der onverschilligheid te worden wakker geschud; die het stoute slechts nen der vormen van het schoone achten; die God zien, zoowel in wat wij maar het goede noemen, als in wat wij onder het groote of geduchte verstaan. Voor hen is niet maar ne luchtstreek dichterlijk, voor hen niet maar ne landstreek schetsenswaard; voor hen is er pozie in hemel en aarde, waar ook de eerste zich over de laatste welft. Ik heb onze oude landschapschilders zoo lief, dewijl zij, tot voor ons misdeeld moeras toe, die waarheid aan het licht bragten.

Van Veen had zich verlustigd onder de lommer van Bronste; van Veen genoot er niet minder den alledaagschen weg om, die voor hem lag. Een kronkelend zandspoor, – ter wederzijde afwisselende, maar slechts vlakke weien bouwlanden, – hier en daar.eene huismanswoning, – een vervallen bruggetje over eene sprongbreed waters in het verschiet; – wat schijnt de stoffe schraal te zijn; ook voor de weelderigste fantasie! Doch laat eene vogelvlugt om u suizelen; doch word ros en rund op de malsche klaver gewaar; doch bespied boersch leven, en wat al studies biedt die straks zoo weinig uitlokkende weg aan! Intusschen heb ik maar weinig van u geeischt; wat zoudt ge meer waarderen, zoo gij oogen hadt voor bloemen en boomen, als een schilder er heeft, die in opmerkzaamheid voor de eerste bij geen’ kruidkenner mag achterstaan; die de stammen van de laatste op zijn duimpje moet hebben als een houtvester! Het zijn twee vereischten tot genot, die het niet in mijne magt staat te bedeelen; maar verbazen zou het mij, zoo Warner’s verrukking u nog langer vreemd voorkwam, als ik over dat landschap den gouden glans uitgiet der naar het westen nijgende zonne. Hoe wisselen licht en schaduw zich bij iederen voetstap af op het eensklaps kleurrijk geworden wandelpad; hoe schijnt het plantenrijk, als door een’ tooverstaf, duizenderlei gewassen te hebben gewonnen; hoe komt het leven uit! De koe, die haren kop over het hek steekt, of zj de melkmeid roepen mogt; – het veulen, dat op onbeslagen hoeven rondhuppelt, of zijne afkomst uit het land des lichts het nog heugde; – de eiber, die zoo stil, maar tevens zoo snel, op uitgeslagen wieken het nest op de schouw nader drijft, waar echter de hemel gloeit of de wolkjes wemelen in vloeijend vuur; alles heeft kleur, alles karakter gekregen. Kies zelf het beeldje, waarme ge uwe schets bezielen wilt, uit het drietal, dat mij in het oog valt: een’ hengelaar onder eene wilg, ter zijde van het verwerde bruggetje, als ge spotziek zijt – een boertje, dat de zweep over zijn flink tweespan legt, hoe zwaar ook de vracht hoois zij, als ge gaarne tevredenheid teekent; – eene deerne als melk een bloed, achter de schutting verrast door den borst, wien het niet enkel om mallen te doen is, wien het meenens is; als ge om dien toestand te schilderen het talent hebt, dat Huygens aan Helvetius van den Bergh heeft vermaakt.

Warner zag naar het eene noch het andere, want Warner was den hoek omgedraaid, die de huismanswoning, welke hem thans van alle de liefste was, in het verschiet verborg. Scherp staarde hij, seherp naar het vensterken boven hare deur, en lachte er in zich zelven om, want hoeverre zijn blik reikte, tot op zulk een’ afstand droeg niemands: en toch leed het geen tien tellens, of hij vestte er alweder zijne oogen op. Was het digt? Neen, ja, neen, – dat verduivelde venster! – Als de muur met klimop bewassen was, dan zou hij zich kunnen verklaren, hoe het zoo lang wegdook in de schemering: maar nu, Teunis-Baas had er niet eens eene wijnrank langs geleid. Ha! daar verbeeldde hij zich, dat hij eene gestalte op die hoogte gewaar werd, dat deze er zich uit voorover boog; vier of vijf verhaaste schreden, – hij had misgezien, het waa digt t „Aafje!” mompelde Warner teloorgesteld; – mijn lezer herinnert zich, hoop ik, dat hij zijne gemis maakte als minnaar? Hoezeer van Veen het heeten mogt, bewees hij op dat oogenblik misschien voldingendst door die onredelijke ontevredenheid, dat Aafje niet naar hem uitzag; hij betrafte er zich zelven over, eer hij den halven weg, die hem nog van het huis scheidde, had afgelegd. Het stond hem fraai nog blijken van belangstelling te eischen van haar, wier liefde voor hem, hij moest haar die getuigenis geven, zich geen oogenblik had verloochend van den morgen af, dat hij haar op den Amstel had zien schaatsrijden met haren broeder, en haar gevolgd was, en haar bij den omzwaai had verbeid, en voor haar was geweken, en haar weder had ingehaald en haar zoo dikwerf van nieuws was ontmoet, en haar slechts schijnbaar eindelijk uit het oog had verloren, om haar ten leste nog eens lang aan te staren, tot haar broeder zich noode werhouden kon hem te vragen: „wat hij wou?” Trots den grammen blik van dezen had hij zijne schaatsen afgebonden zoodra zij over de plank was weggehuppeld; de stad in hare schreden volgende, had hij haar eene woning zien binnengaan, aan welker deur dezelfde naam stond, dien een der schuldeischers zijner moeder droeg. Eerst des middags, want spijt zijnen schrik, spijt het hopelooze van zijnen toestand, mogt het geen avond worden, eer hij die woning wer was langs gegaan, Erst des middags had hij een verschil in voornaam opgemerkt; het baatte den arme luttel, daar het hem bij zijne eerste navrage bleek, dat de vader der lieve, die hem had betooverd, de broeder des mans was, dien zijne moeder eens niet meer onder de oogen zou durven zien. Hij herinnerde het zich, zeide ik, – Goddank! die bange dagen waren voorbij.

„Warner!” zoo werd zijne mijmering afgebroken, want Aafje was hem te gemoet gesneld; Aafje haalde met de slinkerhand zoo zachtkens de klink van het hekje omhoog, terwijl de wijsvinger harer regter op de frissche lippen rustte. „Zoetjes, hoor! tante doet haar dutje.”

En van Veen knikte haar toe, en gluurde, binnentredende, eene naar het kamperfoelieprieltje – oom. zat er niet; – een, twee, drie had de schalk zijn’ arm om de middel van het meisje, en haar kopje stribbelde tegen, of tante ook een’ kus hooren kon.

„Warner!” knorde ze, „ik ga nooit weer boven uitzien....”

„Zijt gij dan toch aan het vensterken geweest?”

„Liefde, merk ik, niet verder dan kunst,” plaagde zij hem.

„Aafje” wilde Warner op zijne beurt knorren; maar hij bedacht zich, hij konde iets beters doen; – oom liet zich nog altoos wachten naar het kamperfoelieprieltje troonde hij haar, – en het was of Aafje begreep, dat zij boeten moest voor het ondeugend verwijt.

Hand in hand zaten zij daar, – en de theeketel kookte over op het komfoor, zoodat de asch bij tusschenpoozen omhoog stoof; maar schoon tante Aafje eene huishoudster prees, zooals zij er zich, wanneer zij eene ziek werd, wenschen zou, Aafje stond niet op, om de kolen een weinig op zijde te leggen. Hand in haad zaten zij daar, – en de krulhond, die van Warner nog geen goed woord had gekregen, dreigde vast, het vruchteloos opspringen tegen zijne knie moede, de voorpooten aan zijne schouders te vlijen, daar hij op de bank was gewipt; maar Warner keerde hem niet af, Warner liet hem begaan. Hand in hand zaten zij daar, – en zagen elkander aan en lazen, zij in de bruine en hij in de blaauwe oogen, lazen wat ik u toewensch, dat gij eene als een van beide lezen moogt, liefde, louter liefde! Het scheen een hoofdstuk zonder einde te wezen, want vijf minuten verliepen, en nog lazen zij voort, en weer vijf verstreken, en nog altoos lazen zij met dezelfde belangstelling, en daar kwam oom uit den moestuin, om zijn eindje pijp maar voor de tweede maal te stoppen, daar tantes dutje dien middag geen einde nam.... Op vlogen Aafje en Warner, en de krulhond had het hun geen’ dank te wijten, dat hij niet op den theeketel te land kwam.

Cardoes!” zei de oude, het beest streelende.

„Oom!” schertste van Veen, „wij moesten ons stilhouden. –”

„En knor ik dan, Warner? Kom, Aafje! het is jaren geleden, maar ik ben ook jong geweest – ga maar eens zien waar tante. blijft.”

Een hart, dat zich in den herfst des levens gaarne herinnert, hoe het in zijn’ groenen tijd te moede was, verzoent het u niet. met de vilten pantoffeltjes, lezer, waarin ik dien man het eerst voor u opvoerde; wischt die trek niet tevens de verdenking van dommelzucht uit, waaraan ik het paartje onwillekeurig prijs gaf, door het dutje van tante? Dat ge ja kniktet! Ge zoudt er de vreeze door beschamen, dat men voor onze burgerlui geene belangstelling winnen kan, ten zij men hunne zwakheden verzwijge; ge zoudt er mij moed door geven ter verdere getrouwe navolging eener natuur, die ook zonder pracht of passie treft. Vijfendertig jaren waren mijne oudjes getrouwd geweest, vijf en dertig jaren, welker slotsom zich in weinige woorden vermelden laat. Van meet af begonnen, zaten zij er nu warmpjes in; ik begin met de hoofdzaak, merkt ge, te onzent heeft ieder eerbied voor geld. Onder ne voorwaarde, en ons volk is er nog niet van vervreemd haar te maken, onder die, dat het eerlijk gewonnen zij, strekt de eigenaardigheid het niet tot laster, maar tot lof; de luidjes, die ik u voorstelle, hadden in dit opzigt voor God een vlekkeloos geweten. Doch de middelen, waardoor zij zich dat, vermogen verwierven, hoe eerbiedwaardig op zich zelve, werden soms belagchelijk, soms laakbaar door overdrijving; een proefje van beide, ten bewijze, dat ik billijk wil zijn. Orde had in hun huis geheerscht – wien ging het ooit goed zonder haar? – maar tante had immers hare nachtrust niet veil moeten hebben voor het verzuim van den bleeker, hare wasch vr primo November en geen etmaal later wer te zenden, dewijl in die maand het goed maar wegwaait; al was het loffelijk van oom, dat hij zich niet eerder op zijn gemak bevond yoor hij gevonden had, in welke schrijffout de stuiver school, waardoor met ultimo December zijne balans maar niet sluiten wilde. Vlijtig waren zij geweest – traagheid is het ware woord voor niet weten wat tijd waard is – maar oom had er vijf en twintig jaren lang ’s avonds den lust niet om moeten missen, in iets anders een’ blik te slaan dan in zijn beursboekje, al mogt het er door, dat tante onder de hand gaarne een steekje breide, als zij te lezen zat in een goed boek. Spaarzaam hadden zij huis gehouden – in hunnen stand is het naleven dier wet een waarborg voor onafhankelijkheid – maar tante deed niet wel om een half el zijde uit te winnen, alleen een kleed zonder strooken te dragen, al had oom gelijk, dat hij geen geldzakje toegaf op de schuld, die hij kweet; gelijk, dat hij er vijf centen voor naar zich streek. En echter – drijve den spot met hen, die er lust in heeft, inschikkelijk voor gebreken, die nog naar deugden zweemen, verbeelde ik mij, dat gij eerbied gevoelt voor vijf en dertig jaren lang eendragtig en trouwhartig huishouwens, als voor een’ der hoeksteenen onzer maatschappij. Gij kunt u in ander gezelschap dan het hunne geestiger vermaken, het is waar; maar zonder innigheid van gemoed, die zich evenwel den eerste den beste maar niet bloot geeft, zoude hun huiselijk verkeer, door zijne weinige afwisseling, ondragelijk vervelend zijn geworden, en nog doen zij het zich bij elkander niet. Geregeld, schier scherts uittartend geregeld zijn ze zondag voor, zondag na, twee malen ter kerk gegaan; doch de kleine verschillen met hunne verwanten en vrienden werden ook telkens bijgelegd, eer zij ter nachtmaalstafel aanzaten; allengs zeldzamer lieten zij zich door hunne driften vervoeren, en hoe langer hoe meer blijken twist en toorn hun hoofd en hun: harte vreemd. Het is hun welgegaan, boven mate; maar als ge de huisgenooten des geloofs, maar als ge de armen, zonder onderscheid van sekte, tellen kondt, die hunne gave heeft gespijsd en gelaafd, die hun woord heeft verlicht of vertroost, die hunne tusschenkomst aan beroep of bestemming heeft wergegeven, ge zoudt erkennen, dat wij het, denzulken verschuldigd zullen zijn, zoo ooit onze volksverkracht in volksvroomheid herleeft God heeft hen beproefd; doch ge zult slechts kort nar hen behoeven te luisteren, om het te hooren – immers, waar het harte vol is, vloeit de mond van over.

„Aafje! Aafje!!” zei taate, die intusschen hare plaats voor het theeblad had ingenomen; „welk een huishouden hebben wij hier – er is nog geene thee gezet, en het water al van de kook; – wat eene aschboel!”

Het lieve kind kleurde tot achter de ooren.

„Mijne schuld!” riep Warner, „ik heb Aafje belet, er een hand aan te slaan.”

En hij zou voortgegaan zijn zich te verpraten, als Aafje van het komfoor, waarover zij zich vast boog, niet, half smeekende, half schalk, had opgezien, terwijl zij tot tante zeide, dat Warner zoo veel van mevrouw Ovens te vertellen had.

„Toch, kind!” mogt de vrouw antwoorden, wier mutsje wel iets van het hernhuttersche had, zoo zedig was het geplooid en gestrikt, „toch, kind’t maar wat worden je wangen rood van dat vuurblazen, h!”

„Willem Ovens schijnt uit den aard te slaan,” viel oom, zich tot Warner wendende, vragend in; „het was heusch van hem, Aafje hier te brengen; zijn papa noch zijn bror Piet zouden het hebben gedaan.”

„Die ken ik heel weinig,” ze van Veen; „maar wat u van Willem zegt, is waar, altijd vriendelijk, altijd vrolijk” –

„Wie was dat meisje in den rouw toeh, dat hij bij zich had?” vroeg Aafje, – het theewater kookte wer.

„Jufvrouw Graevestein,” antwoordde Warner, „de oudste der beide dochters van den advokaat Graevestein, zei Willem mij; ze moet zeer mooi piano spelen” –

„Van den advokaat Graevestein?” herhaalde oom; „en was die bij Ovens gevraagd, Warner? Dat is vreemd, zeer vreemd.”

„Waarom, manlief! waarom? denkt ge dan nog, dat advokaten meenen, wat ze zeggen? Stokebranden in de hel zijn ze” –

„En al gaf ik je dat toe, Truitje!” hernam oom, „dat ikvan Graevestein evenwel verre ben te doen, ik zou het er geene zier minder vreemd om vinden, dat mijnheer Ovens zijne familie vriendschap liet houden met de dochter, terwijl de vader hem duchtig de ooren wiesch. Vriendschap met de dochter, zeg ik, want tusschen de beide mannen was afkeer, zoo geen haat. Het heugt me nog als van daag, al is het een jaar of vier geleden, hoe vaalbleek het gezigt van Ovens werd, toen Graevestein hem de les las. Ovens, moet je weten, Warner, was commissaris van eene naamlooze vennootschap, ter bevordering van –; maar weet je weleens, wat eene naamlooze vennootschap is?” „Ongeveer, oom,” antwoordde de schilder; door actien wordt kapitaal bijeengebragt, en daarover een directeur benoemd; – of vergis ik mij.....”

„Zoo kwaad niet geantwoord voor een’ kunetenaar,” lachte .oom; „want de meeste van die dingen worden maar opgerigt om des directeurs wille, en zoo was het ook in die zaak van Ovens. Er kwam nog iets bij, dat ook al niet ongewoon is: de man, die aan haar hoofd stond, was van zijne maagschap, – en toch had hij niet alleen daarom er eenige aandeelen in genomen; het gaf hem gelegenheid wat oude winkeldochters af te zetten.” –

„Suiker en melk, Warner?” vroeg tante.

„Dank u voor suiker,” zei van Veen.

„Och, ze is er al in!” zuchtte de vrouw.

„Geene zwarigheid, tante!” redde Aafje hare moei, die er eerst aan gedacht had het te vragen, toen de kopjes al waren volgeschonken; „ik neem er twee en Warner wacht nog een beetje.”

„Goed,” knikte van Veen, „goed,” en won het harte van oom, door dezen andermaal een luisterend oor te leenen. „Ovens’ mede-commissaris was gestorven,” zei de man, „en men moest de deelhebbers wel bijeenroepen, om iemand in zijne plaats te verkiezen, al had men hen een paar jaar te huis gelaten, hun slechts met een briefje kennis gevende, dat er geene rente zou worden betaald, maar de balans aan het bureau te kijk lag. Een jaar of zes vroeger zou ik die met iedere maand van Maart zijn gaan inzien [want ik was gek genoeg geweest, mij te laten bepraten om een paar aandeelen te nemen]; maar sedert den dood van mijn’ zoon hecht ik zoo veel niet meer aan geld.”

Oom zou het bij den zucht, die hem zijns ondanks over het verlies van hun genig kind ontsnapte, hebben gelaten, daar hij zag, dat tante het te kwaad kreeg.

„De Heer heeft gegeven; de Heer heeft genomen, Truitje!”

„Ja man!” ze tante, „vertel maar verder.”

„Ik ging dan naar de vergaderi’ng,” ze oom, „en och ja! als in alle faillite massa’s, een advokaat, de advokaat van Ovens, deed het woord,” – en wer hield de man op, want wie van het gezelschap bij die laatste woorden op zijn gemak was geweest, Warner niet; oom zag het hem aan; oom zei: „Jongen! je moest toch afleeren je zoo te schamen voor ’t geen voor jou geen schande is; bovendien, heb je de kleine schulden van je moeder niet gekweten?”

„’t Viel me ligt, want ze waren zoo weinige,” hernam van Veen. „En leidt ze nu niet een gelukkig leven bij je?” vroeg oom. „Niet gelukkiger dan ze aan mij verdiend heeft” getuigde Warner; „maar u ging naar de vergadering, oom!”....

„Jongen, ik ben er nu twee malen ingeloopen met mijne historie; op jou rekening als ik het voor de derde maal doe?”

Warner knikte ja, hij wenschte eene afleiding voor de onderscheidene aandoeningen, welke door den gang des gespreks waren opgewekt, – en Aafje had te meer gelegenheid hem eens toe te lagchen, wanneer hij de oude luidjes bezig hield.

Voor mijn’ lezer deed ik misschien best, het verhaal van oom onbarmhartig te bekorten, daar ik niet zeker ben, dat hij een Aafje over zich heeft, en de oude man hem dus alligt vervelen kan; maar er schuilt toch te veel waarheid ik zijne schets, om haar geheel weg te laten. „Het eerste,” zei oom, „het eerste, dat ik deed, toen ik de zaal, waarin wij waren zaamgeroepen, binnenkwam, was eens naar mijne schoenen te kijken, die kraakten, kraakten wat ben je me! Mijn mededeelhebbers, die al plaats hadden genomen, zagen verbaasd om, wat voor wijsheid daar aankwam; ik verwenschte mijn’ schoenmaker en zette mij ner op den stoel, die het digtst onder mijn bereik was. Eerst toen ik eene poos gezeten had, en allen, die mij volgden, op hunne beurt ook naar hunne laarzen had zien gluren, merkte ik op, hoe stil, hoe doodstil het in die groote zaal was. Op eene soort van bordes zaten Ovens en zijn advokaat en de directeur; – de laatste kroop in zijne schulp, – maar de beide eersten staarden ieder, die binnenkwam, aan, of zij eerbied van hen eischten! Men voelde zoo dadelijk, dat men de eer had, in tegenwoordigheid van het bestuur te wezen, – schoon wij, aandeelhouders; er ons geld bij hadden ingeschoten; wie ons gezien had, zonder te weten waarom wij daar waren, zou het bestuur voor de regters, en ons voor de aangeklaagden hebben gehouden, zoo geduldig verbeidden wij, zoo gedwee hoorden we aan.”

Warner vergeleek in gedachte die doodsche vergadering bij eene zamenkomet zijner kunstgenooten, op uitnoodiging van commissarissen hunner societeit. Hoe belangstelling hen bezielt, hoe zich groepen vormen, hier eene partij van deze, daar eene partij van gene kleur – eindelijk eene derde, de kleinste in getal, maar de grootste in kracht, door de overtuiging, die van de aangezigten. harer leden spreekt. Zoo ongeveer zou hij ook eene vergadering van gildebroeders uit vroegeren tijd hebben geschilderd; waren hedendaagsche kooplieden dan geheel van die voorzaten ontaard?

De advokaat van Ovens had, volgens oom, de zitting geopend, en den deelhebbers kennis gegeven van iets, dat allen weken lang reeds hadden geweten: het afsterven van wijlen, enz., enz.; maar hij had tevens uitgeweid over de vele verdiensten van den overle-dene, – verborgene gaven, voorzeker, daar hij er hun in zijne betrekking van commissaris geen blijk van gegeven had. „We zien ons dus de droevige verpligting opgelegd,” was de advokaat voortgegaan, „de opengevallene plaats weder te bekleeden; en terwijl het bestuur den deelhebbers verwittigt, dat de belangen der zaak geen uitstel dier keuze gedoogen, vleit het zich, met de eischen der zaak vertrouwd, hun te zullen behulpzaam zijn, door de voordragt van een drietal kandidaten.” En de advokaat had de namen van drie vertrouwde vrienden van Ovens afgelezen, en een bode was rondgegaan, om de witte en zwarte boonen uit te reiken. „Dat ging me wat repje, scheerje,” zij oom. „Ik zag eens links, ik zag eens regts, ik zag verwonderde aangezigten; maar niemand, die boe of bah zei; dat, dacht me, was toch wat erg, en ik stond van mijn stoel op, en ik vroeg het woord, – „U heeft het,” zei de advokaat. – „Wij hebben in de laatste jaren geene rente gezien,” mogt ik beginnen. – „Permitteer me, mijnheer!” zei de advokaat, – „maar u is hier geconvoceerd ter ballotage,” en de man wenkte den bode voort te gaan, – „We weten allen, dat de staat van zaken niet gunstig is.” – Doch de man stampvoette van, ongeduld. „Permitteer me, mijnheer! maar de balans is te zien geweest” – en hij keek naar het einde van de zaal. – „We hebben reden om te twijfelen,” begon ik wer, „dat het bestuur....” – Voor de derdemaal het hij me niet uitspreken: „Permitteer me, mijnheel dat wij overgaan tot de orde van den dag; – aan twijfelingen is geen einde,” en hij lachte triomfantelijk. – Ik zag wer links, ik zag wer regts, ik wist, dat de aanwezigen het met mij eens waren, en toch hielden zij allen den mond, uitgezonderd” –

„Graevestein!” viel Werner in.

„Geraden,” antwoordde oom. „Het woord,” klonk het door de zaal, toen de advokaat den naam van den eersten kandidaat wilde aflezen, en bedaard vroeg Graevestein het artikel der statuten te mogen weten, waaraan het bestuur de bevoegdheid ontleende, een drietal voor te dragen. De advokaat haperde niet, maar zwetste zoo wat van beleefdheid, van zaakkennis, enz. „Artikel 44,” hernam Graevestein, zonder den bluf te werleggen, „draagt de zamenstelling daarvan aan de drie grootste deelhebbers met den overblijvenden commissaris op.” Ovens zag zijnen advokaat aan, of hij zeggen wilde: „Weet je dan geen uitvlugtje!” De gaauwert was er bij de hand genoeg voor: „En wie der drie grootste deelhebbers hier aanwezig,” begon hij, „wie van hen hsdt iets tegen ons drietal?” – Doch die vlieger zou niet opgaan. „Ik protesteer!” zei Graevestein, „en ik geloof te mogen zeggen: de vergadering protesteert met mij ....” „Ja! ja! ja!” werden eindelijk de slapenden wakker;,– maar je lacht, Warner; maar je zult wel zeggen, dat het dom van ons was, geen van allen die statuten te huis te hebben nagezien; en je hebt gelijk, jongen; als we ons in alles zoo lamlendig gedroegen, op vergaderingen van vennootschappen, al onze mony was lang naar de maan!”

„Het heeft er ten minste veel van,” zei Warner, „of de adel aan den leiband der advokaten loopt.”

„De man van Ovens had intusschen een nieuw middel bedacht. Het bestuur trok zijne kandidatenlijst in, zei hij, en zag die der drie grootste deelhebbers te gemoet; de overblijvende commisas wilde te hunnen behoeve gaarne afstand van zijn regt doen. Er was weder aarzeling; – als er geene flinke opinie tegen gesproken had, de drie grootete aandeelhouders waren in staat geweest, de lijst van het bestuur over te nemen, om maar van het geharrewar af te zijn.”

Warner dacht onwillekeurig aan de onverzetbare hoofden op onze oude regentenstukken.

„Gelukkig aarzelde Graevestein niet. „De zaak is van te groot gewigt,” begon hij, „om die keuze overijld door te drijven; ik verrtegenwoordig hier slechts een aandeel of wat; maar het zijn aandeelen eener weduwe, die er belang bij heeft, dat het der maatschappij in het vervolg beter ga, dan tot nu toe het geval geweest. Ook de overige aandeelhouders, ook de overgeblevene commissaris moeten dit verlangen; – verre van mij zij het doel, om te krenken; maar er zijn misbruiken te keer te gaan, in elker afschaffing bijzondere betrekkingen hem belemmeren.” – Personaliteiten, mijnheer!” viel de advokaat van Ovens in. –” De overgeblevene commissaris,” voer Graevestein voort, „staat menig opzigt te hoog, om ook in het toezigt eener vennootschap niet een voorbeeld te geven; – de gestie van vele dier maatschappijen werpt een vlek op meer dan nen grooten naam onzes tijds.” Ovens werd vaalbleek, „Ik stel eene bijeenkomst der drie grootste deelhebbers voor”, besloot Graevestein, „met den vergebleven’ commissaris.”. – „Waarbij ik mij door volmagt zal laten vertegenwoordigen,” viel Ovens onvoorzigtig uit.

„Alwer zijn advokaat,” zei Warner.

„Juist,” zei oom; „maar ook Graevestein werd benoemd door en laauwste van onze drie groote deelhebbers; maar Graevestein, – ik heb er achting om voor den doode, – raadpleegde, ons allen [zonder er voor te rekenen], wie de geschiktste man voor mede-commissaris wezen zou; en zoo de maatschappij sedert van directeur heeft gewisseld; zoo zij verleden jaar ten minste drie percent heeft uitgekeerd, na het stijven van de reservekas, ik wijt het Ovens geen’ dank; Ovens, die zich jegens Graevstein gedroeg, als ware hij zijn doodvijand geweest! Daarom begrijp ik mij niet, hoe hij nu zijne dochter als vriendin te gast vraagt” –

„Och,” zei Warner, „wie weet hoe weinig deel hij er aan heeft? Mevrouw Ovens houdt zooveel van verrassingen; mevrouw Ovens is zoo grillig ....”

„Die arme kinderen!” zei tante.

„Soms is zij hoog als eene prinses; van daag moest ik mewandelen op het duin; van daag vroeg zij mij zelfs ten eten.”

„En ge naamt aan?”

„Raad eens, Aafje!”

„Raden?” plaagde tante haar; „ik dacht, hij had zoo veel van mevrouw Ovens verteld, dat gij dat lang wist.”

Warner vroeg nog eens: „Aafje! wat raad je?”

„Neen!” zeide ze; „maar waar hebt gij dan. Gegeten?”

„Ik!” antwoordde Warner, en lachte.

„Aatje! wat wilt ge?” vroeg hij, en zette haar na, het huis iu.

„Wacht een omzien, Warner!”

Wie zich liet gezeggen, niet hij; in de keuken der huismanswoning was hij haar op de hielen, en Geerte-mor, het huiswijf van Teunis-baas, die voor de achterdeur eenen ketel stond te schuren, had er schik in, eens te zien, hoe lang het wel duren zou, eer op hare eikenhouten tafel het hagelwitte servet lag uitgespreid; eer Warner aan Aafje vergunde bedaard de borden en glazen ner te zetten, en er mes en vork naast te leggen. Vergunde? wou bij haar dan niet behulpzaam zijn, tot nastuivens toe, de trappen af, den kelder in, om de ossenlende te halen? zat hij haar niet roerloos aan te kijken, toen zij sneedje brood voor, sneedje brood na, smeerde, of hij in geene zeven jaren gegeten had? „Ik eet niets,” had de schalk gezegd, „of ge moet het mij hier geven,” ten einde haar te beletten den gemproviseerden maaltijd in de binnenkamer te brengen; „ik eet niets, of ik moet mogen zien, hoe het in ons huishouden zal toegaan.” En al kleurde Aafje bij „ons huishouden,” klinken zou ze met hem, klinken op – en een kus vulde het aan; Geertemor had van haar leven zoo’n prettig paar niet gezien. „Eet toch, Warner!” – „drink toch, Warner!” riep Aafje, want zij was al wer opgewipt van het bankje, waarop zij tegenover hem een omzien gezeten had; maar hoe sappig het vleesch mogt zijn, en hoe keurig oom op zijn wijn was, Warner vermaakte zich met toe te zien, hoe Aafje ei bij ei stuksloeg en in de pan wierp, die voor een omzien hem nog aan den wand had toegeblonken, die au al te vuur was. „Beurt om beurt,” zei Warner, en greep naar den steel, neen, naar Aafje’s hand, die zoo’n zwart ding niet mogt aanraken, ze hij. Alsof Geerte-mor hem niet zindelijk hield,” lachte zij hem uit, en liet even hare blanke palm zien. „O wat heb ik in ons huishouden nog niet te leeren!” plaagde hij haar wer; maar – „klaar!” juichte Aafje, en zette hem den eijerkoek voor, en sneed er hem een stuk uit, of hij vier dagen gevast had. En wer was zij den kelder in, en wer ontmoette hij haar op de trappen. „Om de laatste!” zei hij, zoodra hij zag, dat ze kersen had gehaald, en fluks waren ze gewasschen, en fluks zaten ze aan. En een aardig studietje leverden zij op, aan den uithoek van de eikenhouten tafel, waar Geerte-mor hen niet begluren kon, hij in zijn fluweelen jasje en zij in haar lichtkleurig zomerkleed; hij met zijne donkere crins de lion, en zij met haar bleek, blond l’enfant; hij zoo stout en zij zoo bloode! En het ging om de laatste, maar met menige tusschenpooze; – om de laatste, die Aafje, zij wist wel waarom, niet hebben wou, en die Aafje toch kreeg – dat spreekt!

Toen Warner en Aafje eindelijk naar het kamperfoelieprieeltje terugkeerden, waren oom en tante er niet meer, waren zij de voordeur in naar binnen gegaan; het werd buiten zoo koel. Weldra kwam de maan op, en de oude luidjes hadden er niet tegen, dat de jonge lui, eer van Veen naar stad moest – Amsterdam, weet ge, de stad bij uitnemendheid – eene wandeling deden: „als het maar bij een half uurtje bleef.” Warner hield woord, want hij wilde vr het vertrek van den laatsten trein te Haarlem wezen; zij waren het kerkje van Heemste maar eens omgewandeld; zij hadden een kijkje genomen van het meir. „En is dat alles, wat we er van hooren?” vraagt men mij. Alsof de jeugd, – want wie anders zoude het doen? – niet fantasie te over had, om zich het geluk van beide in dat liefelijke landschap voor te stellen; alsof mijn proza niet te kort zou schieten hij soo veel pozij; – Warner, het schoone der natuur genietende, aan den arm zijner liefste; Aafje beminnende en bemind; – Warner gelukkig in de onafhankelijkheid, die hem vergunde zijne moeder te verzorgen, vergunde dat meisje te vragen, wanneer hun trouwdag toch zijn zou; Aafje beminnende en bemind, –, Warner vol van zijne toekomst, van zijnen roem, van hunnen echt; Aafje beminnende en bemind.

[Hoofdstuk 10]