E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

DE ZUSTERS

[Hoofdstuk 9]

X.

„Vergelijk in gedachten eens menschen met menschen, als gij op Bloemendaal zult zijn,” had nicht Elsabé tot Anne Graevestein gezegd, toen de eerste de zelfverloochenende liefde van het oude Geesje vergold, en Anne was er maar te zeer toe in de gelegenheid, gedurende de weinige dagen, welke zij op Lindenhof sleet, van dien, waarop wij er haar bragten, tot dien, waarop wij er haar weder aantreffen, den dag van het groote diné. Helaas! het bleek haar spoedig, dat mevrouw Ovens de belle pianiste slechts had gevraagd als eene acquisitie voor hare société. Zoo dikwerf Anne, om haren rouw, zwarigheid maakte op de naburige buitens mee bezoeken af te leggen, werd zij er à l’improviste door eene migraine toe geforceerd. Ware het daarbij gebleven! Maar die visites werden beantwoord, punctuëel beantwoord, want men wist, dat mevrouw Ovens zoomin op het land als in de stad eenige tekortkoming van dien aard vergaf; ongelukkig voor Anne; was het nu de rage der eigenares van Lindenhof geworden, al dien gasten eene surprise te menageren, door de talenten harer logé. Hoe de arme weeze Dirk Goemans en het nufje benijdde, die, na een paar dagen verblijfs buiten, naar het huis hunner ouders waren teruggekeerd! „Betje,” had zij den zeerob tot zijne zuster hooren zeggen, „als ik dat spook van een wijf aan boord had, ik zette haar waarachtig op een onbewoond eiland aan wal!” Ook hij was door mevrouw Ovens als eene curiositeit de gansche buurt rondgevoerd; maar er eene knorrige bui zijns vaders aan wagende, had hij het naauwelijks opgemerkt, of er ook voor bedankt. Het eerste voorwendsel het beste volstond in zijnen toestand tot zijn vertrek; e wie – maar à la suite! Anne daarentegen, Anne had voor veertien dagen haar woord gegeven, en als deze verstreken waren, wat zou ze? Terugkeeren naar nicht Elsabé? Hoe eigenzinnig zij de drieenzeventigjarige achte mogt, dat regt liet zij haar weêrvaren, een jaar op den Kloveniersburgwal zou drageijker zijn, dan nog eene maand op Lindenhof; maar wat zij er ook door winnen zou, het zou haar geene schrede verder brengen tot het doel, dat haar nog altijd voor den geest stond, tot de voorgenomene reize naar Parijs. O de reeks van maanden, die er nog verloopen moesten, eer zij . zou mogen beschikken over het weinige dat haar vader haar had nagelatan; hoe wenschte zij, dat die mogten omgaan, om, niet in eene week, als de matroos uit den molen tien, twintig jaren van zijn leven wilde zien vervliegen, maar in eenen nacht. Of zij smeedde allerlei ontwerpen, om zich dien tusschentijd ten nutte te maken, ten nutte in dubbel opzigt, studerende en winnende: – dat Burdach haar ook zulk een droevig tafereel van dat lesgeven had geschetst! Ach, zij mogt zich niet eene vriendin toekennen, met welk ij kon raadplegen; Louise Ovens, zij had het ervaren, Louise had geen hart......

„En had zij zelve er een?” vroeg zij zich,want op den ochtend des dags, voor het groote diné bestemd, op het oogenblik, waarin wij onze kennis met haar vernieuwen zat zij op de charme van de plaats, met een’ brief van Doortje in hare hand, en had hem nog niet geopend, hoezeer Willem Ovens haar: dien reeds vóór een kwartier had gegeven. „En had zij zelve een hart voor hare zuster?” vroeg zij zich, want ofschoon Willem haar opgetogen vertelde, dat Doortje er den vorigen dag, toen hij het episteltje was gaan halen, allerliefst had uitgezien, het was toch onverschillig, onvergeeflijk onverechillig van haar, dien nog niet te hebben geopend, waar zij hem ongestoord, waar zij. hem alleen lezen kon.

Zij brak den brief open, en zij las:

„Lieve Anne!

„Wat ben’ ik gelukkig geweeet met uw briefje; wat doet het mij een pleizier, dat Bloemendaal u zoo goed bevalt! Het moet er heel mooi wezen; de heer W. O. heeft er nicht veel van verteld. Hij was zoo beleefd ons uw billet zelf te komen brengen, en verzocht mij, het dadelijk eens in te zien, of er ook commissien in waren, die hij, weer naar buiten gaande, meenemen kon.”

Anne staakte een oogenblik de lektuur. – „Ik had Willem op zijne vraag toch gezegd,” – mijmerde ze – „dat er geene commissie in mijn billet was,” – en met een fijn glimlachje voer zij voort te lezen:

„Gij weet, dat hij vergeefs wachtte, want ge vroegt niets; intusschen heeft hij nicht een kwartiertje prettig gekort. Haar Ed. is vóór twaalf jaren het laatste te Bloemendaal geweest; volgens zijne beschrijving zou ze vooral Overveen niet weer kennen. Ik hoop, dat de frissche lucht er u veel goed zal doen; als mevrouw en uwe vriendin even vrolijke menschen zijn als zeker iemand, dan krijg ik spoedig een’ heel opgeruimden brief van u.

„Willem voor – Willem na,” zei Anne in zich zelve: „die argelooze Door!”

„Het is hier al zoo bij het oude,’ – maar neen, ik heb toch een groot nieuws voor u. Raad eens? Doch ge zoudt het niet, raden, al gaf ik u een uur tijd om te gissen. Ik ga – ook naar Bloemendaal? – neen Annelief! Ik ga leeren – „wat?” zeg je met die donkere kijkers, waarin papa zoo gaarne uwe liefde las, als hij bij de piano zat; – ik ga mutsjes, hoeden wat weet ik het al? leeren maken. Nicht keurt mijn plan goed; onze voogd heeft er vrede meê. Modiste wezen als Mad. Pelletier is zoo kwaad niet, Anne! – zij gaat om eene haverklap naar Parijs. Maar ik hoop, zusjelief! dat ge er heen zult geweest zijn eer ik het zoo verre gebragt heb. Intusschen, houd het groote nieuws nog maar voor u; voor ik den slag van mijn werk beet heb, behoeft niemand te weten, waarom ik alle ochtenden zoo geregeld uitga. Nicht heeft aan de mevrouw, die chef is van het etablissement, – zijn er ook vrouwelijke chefs, Anne? – nicht heeft haar beloofd, „dat zij genereus zou worden beloond, als ik in het magazijn discreet werd getracteerd.” – „Nu en dan een vreemd woord moet men toch maar koeteren,” zei nicht, toen madame vertrokken,was, tot mij, „anders houden die modepoppen iemand slechts voor eene parvenu.” „Ik had dat nooit achter mijne nederige nicht gezocht,” antwoordde ik haar gulweg. – „Maar Door!” zei ze, „men ziet toch geene stegen voor straten aan; nederig voor dat volkje van ’t jaar Vijf en Negentig!”

„En nu, Anne, it heb niets meer te vertellen, dan wat je wel weet, hoe van harte ik ben

„Uwe liefbebbende

Doortje.”

P.S. „Amuseer u goed, maar blijf niet al te lang weg; de korte scheiding is mij reeds zoo vreemd; wat zal mj die lange naar Parijs zwaar vallen! Doch het moet gebeuren, en de middelen er toe vinden wij zekerst in ons zelve. Vele groeten van nicht.”

T. à. V.

Anne’s blikken hadden het laatste gedeelte van den brief minder gelezen dan verslonden. Allerlei aandoeningen was zij er onder ter prooi. Onaangename verrassing, door hare zuster te zijn voorgekomen in het nemen van een besluit; – vslache schaamte over het middel, door deze ter bereiking van onafhankelijkheid gekozen – ongerijmde afgunst op de vrolijke stemming, welke zij, spijt der onzekerheid van haar lot, te bewaren wist, wisselden zich snel af, werden – ik boek. onpartijdig, hoop ik – en uitgewischt, werden opgewogen door bewondering voor Doortje, door waardering harer trouw. Een traan viel op het papier, dat niet enkel het ochtendwindje in hare slanke vingers trillen deed. Andermaal wilde zij den brief inzien; doch daar hoorde zij een geschoffel van voetstappen achter haar, een geschoffel, dat van het duin kwam; het was de oude heer Ovens.

Hier zoo alleen, jufvrouw Graevestein?” begon hij verwonderd; „heeft de drukte ook u uit het huis gejaagd; maar hoe kan ik het vragen de matinée musicale is immers aangelegd”....

„Om mij?” vroeg Anne, en het schreijen was haar nader dan het lagchen; „om mij, o ja!” herstelde zij zich, „maar uw zoon had mij een’ brief van huis, ten minste van mijne zuster medegebragt” –

„En ik stoor u dus?” viel Ovens op zijn beurt in, „vergeef mij,” – hij wilde heengaan.

„Blijf hier, mijnheer, – immers als u zou gebleven zijn, zoo ik niet hier geweest ware; u is niet muzikaal, en die toebereidselen kunnen u dus niet aangenaam zijn, terwijl ik mij toch dien te kleeden.”

„Uwe zuster,” hernam Ovens, met meer wereld, dan men hem zou hebben toegeschreven, „uwe zuster had ook moeten worden geinviteerd.”

„Doortje is veel jonger dan ik,” verontschuldigde Anne het verzuim van de vrouw des huizes, „en geene kenuis van Louise.”

„Ha! ge waart inséparables, zou mijne vrouw zeggen, op school, niet waar? Ge hadt haar sedert getrouwer moeten bezoeken”...

„Papa leefde zoo stil, mijnheer; we zagen weinig menschen; een’ enkelen vriend als onzen voogd uitgezonderd.”

„En onder deze behoorde ik niet, het is waar.” – Verbaasd zag Anne hem aan, en huiverde onwillekeurig, want zijn voorhoofd rimpelde zich, want de aderen aan zijne slapen werden zwaarder, want zijne oogen drukten haat uit. – „Maar hij moet in zijne ziekte velerlei hebben geleden; doctor Goemans vertelde het mij.”

„Hij stierf den dood des regtvaardigen,” zeide zijn kind, schoon zij niet wist, tegen wien zij het zei.

„Jufvrouw Graevestein!” hernam Ovens geraakt, en zag haar scherp in het gezigt; „vergeef mij,” liet hij er op volgen, daar hij in den blik van Anne slechts verbazing las; „kindlief, gij weet niet, hoe ook wij mannen elkander soms misverstaan; – maar ik zou wel een dissonant worden in uwe matiné musicale.”

„Ik loop zelve gevaar te laat klaar te zullen zijn – tot de eer, mijnheer Ovens!”

„Tot het genoegen kindlief!”

En Anne verliet de charme van de plaats, om zich te kleeden voor het muzijkfeest en famille, tot welks bijwoning op Lindenhof de beau monde der naburige buitens was uitgenood; en Ovens bleef op de charme van de plaats achter, om ten minste nog eene sigaar in vrede te rooken, eer dat ook hij zich zou moeten getroosten toilet te maken voor dat voorspel des dinés. In vreê, zeiden wij, en hebben schier lust er een vraagteeken achter te plaatsen. Ofschoon hij er zich weinig aan liet gelegen zijn, wie zijne gade als logés op hun landgoed ontving, zou zou de invitatie der dochter van Graevestein, zoo zij deze aan zijn oordeel had onderworpen, niet alleen hebben goedgekeurd, maar er voor zijnen trots zelfs eene zoete wraak in geweest, het kind zijns vijands, in den glans van zijnen voorspoed, onder zijn dak te mogen ontvangen. Zoo vergeeflijk hem echter dat gevoel toescheen, zoo zeer berouwde het hem zijn’ haat te hebben verraden. Wat moest Anne van hem denken? wat diegenen, aan welke zij over die uitbarsting misschien ophelderingen vragen zou?

Al hij geenen anderen navorscher, geenen anderen regter vreesde dan haar, had hij voor het oogenblik gerust kunnen zijn; want op hare kamer gekomen, om zich te kleeden, las zij Doortje’s brief andermaal, en schaamde zij zich hare eigene zelfzucht te zeer om over die zonderlinge hartstogteljkheid van haren gastheer na te denken. Slechts toen een blik uit het venster haar overtuigde, dat rijtuig bij rijtuig in het verschiet stofwolkjes deed opgaan, herinnerde zij zich, waarom zij naar dit vertrek de wijk nam, en legde zij in allerijl de hand aan den vereischten tooi.

Op hare chaise longue zat mevrouw Ovens reeds in de zaal – heureuse, mais heureuse comme une reine, want een grooter getal gasten, dan zij zich op den dag van Anna’s aankomst op Lindenhof vleijen mogt heden te harent te zullen zien, had hare bede gehoor gegeven; het gerucht van de matinée musicale was niet te vergeefs verspreid. „Kom toch koffij drinken,” had zij de buren innemend toegefluisterd; – „mais venez vers midi” waren de laatste woorden geweest van menige schriftelijke uitnoodiging. – „Mijnheer en mevrouw Ovens verwachten de familie vroeg,” had de last geluid, aan Thomas opgedragen; – „on s’assemblera à une heure de relevée,” was tot verbazing der minder gemeenzame vrienden op’ het invitatiebiljet gecrayonneerd; – en men kwam – men kwam in calbèhes en in tilbury’s – en te paard, en te voet! – Ik zal er mij wel voor wachten uitspraak te doen, welke gasten mevrouw Ovens de liefste waren, de meest of de minst door de fortuin bedeelden, want zoo de namen der eerste klonken als eene klok – onder een kassiersbriefje, de laatsten leverden célébrités du premier rang op, – pour notre petit pays toujours. En nog verzweeg ik wat haren triomf voltooide; repte ik geen woord van den cavalier, die ter zijde harer chaise longue stond, en hoezeer hij ook in zijn hart de ure verwenschen mogt, waarin hij haar zijn woord gaf, tot de muzikale verrasing te zullen bijdragen, toch uiterlijk louter buigingen en beleefdeid was; – de cavalier, aan wien zij hare aanzienlijkste gasten presenteerde, met een honderd malen herhaald: „Baron Aemssens!” alsof zijn oud-adellijke naam ter zeissen strekte, waarmede zij in die weinige patricische aren sloeg! Wij gaven hem den lof te goeden toon te bezitten, om zich, eenmaal door zijne belofte gebonden, niet geduldig op te offeren; doch moeten hem tevens den tact toekennen, trots al die buigzaamheid, den verstandigsten onder hen, aan welke hij werd voorgesteld, de verbazing in te boezemen, hoe hij een werktuig voor deze verrassing van mevrouw Ovens geworden was. Niets natuurlijker echter. Op een der buitens in de buurt gelogeerd, had hij kennis gemaakt met de bewoners van Lindenhof, had hij Louise en Anne muzijk makende verrast, en de vriend dier kunst was de gevangene van de grilzieke vrouw des huizes geweest, eer hij het vreesde. Eerst had het slechts een ochtendje tout en famille gegolden; toen zouden eenige kennissen worden gevraagd, en een klein diné de zamenkomst besluiten; – heden, te loochenen was het niet, il y aurait fête, il y avait foule! Maar mevrouw Ovens wist wel, waarop zij viseerde, in Anne’s particuliere positie, sa pianiste protégée; – die verontschuldiging had baron Aemssens geïntrigueerd, en nog was zij hem niet geëxpliceerd; maar wat zoude hij doen? Eene scène maken, zijn’ schimmel laten voorbrengen, en drie dagen lang het onderwerp aller gesprekken in Bloemendaal zijn, pas si bête! Hij kon er immers veel meer pleizier van hebben, als hij der eigenaresse van Lindenhof haren wil liet; de folie zou den tour der Haagsche cercles doen, dat beloofde hij haar!

„Het is heel lief van u, mijnheer van Oudenhove,” zeide mevrouw Ovens, toen Mr. Hendrik van dien naam haar begroette, „het is heel lief van u, zoo vroeg te komen. Monsieur votre pêre nous a désappointés!”

„Ik maak nogmaals zijne excuses,” zei de advokaat.

„Die heeren-partijen moeten wel onwederstaanbaar zijn, baron Aemssens!” – Hendrik was hem al gepresenteerd – „Baron Aemssens, u is toch geen dijkgraaf, hoop ik?”

„Ik ben van de oppositie, mevrouw; en u weet, alle heemraadschappen geven dinés; bij gevolg –”

„Zijn alle heemraadschappen corrupt?” lachte Hendrik van Oudenhove.

„Maakt men zich ten minste suspect, door er lid van te worden; – slechts de leden van de Tweede Kamer kunnen dineren – en oppositie blijven.”

Doch het gesprek werd afgebroken, daar Anne de zaal binnentrad, en haar schuw rondzien in die bonte schare den baron bewoog der weeze een eind weegs te gemoet te gaan. Toen zij zamen de chaise longue van mevrouw naderden, was Hendrik van Oudenhove op zijne beurt voor andere gasten geweken. Anne had hem in de eerste verwarring niet opgemerkt; Anne zag hem ook thans nog niet; al wat zij gewaar werd, was de menigte, op hare muzijk genood, en schroom deed haar onwillekeurig de oogen neêrslaan, en van schaamte verbleekten hare wangen, en Aemssens boog zich tot haren stoel neer, en vroeg haar „wat haar deerde?” – „Welk een publiek!” zuchtte zij. – Maar: si vous voulez, monsieur le baron!” klonk het aan zijne andere zijde, en Louise Ovens werd, op eenen wenk harer mama, door broêr Willem naar de harp geleid, aan het eind der zaal bij de piano geplaatst, en Aemssens vatte Anne’s hand. Een oogenblik gedruisch, en het dertigtal gasten had plaats genomen, tegenover de dilettanten en Willem, die onder voorwendsel den spelenden van tijd tot tijd de behulpzame hand te biên, door het omslaan van een blaadje, enz., de weinige heele lieven onder de genoodigden in gedachte met Doortje vergeleek; en er geene enkele onder vond, die bij haar halen mogt. Een oogenblik gedruisch, zeide ik, en Aemssens redde zich geestig uit het gekke zijner positie, door de betuigiug, dat hij vreezen zou „het publiek,” en hij drukte op dat woord, alleronaangenaamst „te verrassen,” en hij drukte op het laatste nog sterker, als hij niet overtuigd was, dat de talenten, die hij acecmpagneren zou, zijne viool zouden doen vergeven en vergeten. Hij las zijne zege op de gezigten van drie vierde des gezelsehaps; hij tikte zachtkens met den strijkstok, en de trio begon. Te zeggen, dat de muzijk dadelijk alle aanwezigen verrukte, zou overdrijving zijn; er waren enkelen, ja, die van den beginne af aan de maat mee sloegen, met de vingers of met den voet; er waren, die dit deden met het hoofd, gezigten trekkende, waarbij een glimlach geene doodzonde was; maar wat zegt eene overwinning op wie zich vrijwillig gevangen geeft? Vijf, tien minuten lang mogt de menigte een luisternd oor leenen; meer zag men haar ook niet aan. „Van wie is die trio?” vroeg eene fluisterende stem in dezen, en eene, fluisterende stem in genen hoek, tot voldingend bewijs, dat de trio zelve zich nog niet gelden deed. Geen wonder – hij had te kampen met het zonnige landschap, met de zoele lucht, dat men buiten gewaar werd, die binnendrong; eenige critci – onder dertig gasten zoudt gij er niet aantreffen? – eenige critici maatten reeds de aanmerking, dat men op het land geen muzijk maken moest. „De nachtegaal en de natuur,” eene mooije tirade. En echter, de drie stemmen – want daarin verkeerden de instrumenten in de vingers van Aemssens, van Louise en van Anne – de drie stemmen, welke zich een oogenblik zamen hadden doen hooren, om elkander fluks af te wisselen, alle drie denzelfden hartstogt schetsende, maar iedere harer, in eene zijner oneindige verscheidenheden; de drie stemmen, thans schijnbaar met elkander in strijd; schertsende, klagende, juichende; de drie stemmen, elkalâr slechts weerstrevende, om zich op te lossen in te schooner akkoord, zij boeiden, zij bevleugelden de gedachten weldra tot vergetens van Lindenhof, en van mevrouw Ovens, en van de matinée musicale toe! Het gezelschap genoot, – en ondanks dat het, met de wetten der beleefdheid streed, gaf de bewonderiag zich luide lucht, toen de trio zijn einde bereikte.

Och! dat mevrouw Ovens ook oogenblikkelijk ververschingen ronddienen liet!

„Louise, nu uw groot air,” zeide zij, zoodra de pauze, zoodra het praatje, dat zij zelve had uitgelokt, haar te lang duurde. Louise Ovens droeg een hemelsblaauw kleed, en we zijn slechts, billijk, zoo wij er bijvoegen, dat zij blaauw dragen mogt,blaauw dat eener Fransche brunette een’ doodschrik op het lijf zou hebben gejaagd, want zij was blank, blank zonder weerga; – en Louise Ovens preludeerde: laat ons er bijvoegen, zoo iemand, zij mogt harp spelen, want de vorm harer armen liet in fijnte noch in rondheid iets te wenschen over. Een paar donkere strikjes zetten iets piquants aan het kapsel harer bleekblonde lokken bij; men zag het elke harer bewegingen aan, dat zij les had genomen, hoe iets bevalligs te geven aan de bewegingen, voor het speeltuig vereischt. Een weinig meer ziel in de oogen, een weinig meer gevoel van wat zij zong in den zang, en zij zou „parfaite” zijn geweest – ach, het weinige, dat wij daar eischen, is zoo veel. „Uw groot air,” had mama gezegd, en trots eene bedenking van Anne, aan deze euvel geduid, en trots eenige bezwaren, door Aemssens geopperd, maar door de moeder niet geteld, speelde en zong Louise eene bravoure uit eene opera van den dag, welke om strijd kostuum en karakter eischte, zoude zij voldoen. Eilieve, denk u eens, eene Semiramis op eene matinée musicale, of eene Desdemona op Lindenhof! Mevrouw Ovens las het op de aangezigten dier gasten, welke onder het bereik van haren blik vielen, dat zij bewonderden, maar niet werden geëlectriceerd. Het was hare eerste ergernis; – doch de tweede, die deze onmiddellijk opvolgde, griefde dieper. Daar vielen hare oogen op Hendrik van Oudenhove: eene andere dan hare dochter was het voorwerp zijner opmerkzaamheid; eene andere dan hare dochter riep eenen blos op zijn bleek gelaat, en die andere, – het kon eener vrouw, die fixeren durfde, als de gade van Ovens, wanneer zij zeker wilde zijn, niet lang verborgen blijven wie – die andere was niemand anders dan hare pianiste-protégée, dan Anne Graevestein. Het was eene teleurstelling, om eene beroerte te krijgen; maar was het gevaar zoo groot als zij vreesde? Het kon slechts eene voorbijgaande vlaag, het kon la fascination d’ un instant zijn” zij vleide er zich mede, zij vermoedde het, zij mogt meer dan het vermoên. Al verzuimde mevrouw Ovens er om, der vriendia aan hare regte, op de belangstellende vraag van deze, of het harer delicate conatitutie in de zaal niet te warm werd, te verzekeren, dat zij zich volmaakt wel bevond; – al verzuimde zij, onvergeeflijker vergrijp! den gast aan hare slinke, dankbaar toe knikken, bij de betuiging, hoe zeer de zang harer dochter hem verrukte, staren op beide, tour à tour et sans leur accorder une seconde de répit; dat zou ze, dat deed ze, – haar logé bemerkte, beantwoordde de blikken van den secretaris in spe niet. Er werd een steen van het harte der eigenares van Lindenhof gewenteld. Anne zag voor zich, te zedig zelfs voor zich, en de oogen vaa den jongen advocaat zwierven af, zwierven af naar Louise; hij luisterde aandachtig naar haar, hoe zeer zij het Italiaansch ook martelen mogt, – bij zijne hartstogtelijke uitdrukkingen niet slechts meesteresse van haar gevoel, maar zich sehier geenerlei gevoel bewust. Gelukkig voor onze harpspeelster, volgde in haar air weldra roulade op roulade; – er was niemand in de zaal zoo onverbiddelijk critisch, om zich te ergeren aan het onnatuurlijke van deze in den toestand, dien de zang te veraanschouwelijken zocht – door het verzuim van Louise hem uit te drukken, verbaasden zij niet, werden zij schier vergoêlijkt; „Onverbeterlijk!” – „Charmant!” – „Welk eene vaardigheid!” – „Délicieux!” – „Spel en stem!” – „A merveille!” – volgden elkander op, en klonken,dooreen. – Louise neeg bij de toejuiching, om te stelen!

Weder eene pauze,in welke mevrouw Ovens er zich niet aan ergerde, dat de gasten een weinig in beweging geraakten, om hare dochter te komplimenteren, in welke zij Hendrik van Oudenhove naar Louise zag gaan, in welke zij beide eene lange wijle kouten zag, – weder eene pauze, maar die toch ook. eem einde had.

„Anne, mon enfant!” riep de vrouw des huizes. Anne stond bij de chaise longue.

„Ge moest het gerepeteerde stuk laten rusten; tâchez de fantaiser.”

„Maar, mevrouw!” antwoordde onze weeze, die wel verschrikt mogt zijn door eenen voorslag, welke, als niemand haar te hulp kwam, weldra herhaald, in wet verkeeren zou. De dochter Graevestein’s zag naar Aemssens op.

„Als ge aan aan groot publiek niet gewoon zijt,” merkte hij vast aan, „dan is het te veel geeischt, mevrouw Ovens!”

Au contraire,” viel deze in, „het zou eene gelegenheid wezen, pour faire sa réputation, en wat talent betreft, ik beroep mij op Louise, – Louïson! – och, monsieur le baron, roep haar eene hier!”

Het ware weinig geweest, zoo Louise alleen was gekomen; maar met haar naderde Hendrik van Oudenhove, wiens gesprek met de dochter des huizes door den baron was gestoord.

„Jufvrouw Graevestein,” zeide onze oude kennis, „wat hebben wij elkander in lang niet gezien!”

Het waren onbeduidende woorden, mais c’est le ton qui fait la musique, zou mevrouw Ovens zeker hebben gezegd, als zij op dat oogenblik niet louter aandacht was geweest voor Louise. Moeder en dochter overreedden den baron, hoe weinig iemand van Anne’s begaafdheid bij eene fantaisie wagen zou; mama voegde er sur un ton de mystère bij, dat zij er veel, dat ze er alles door kon winnen.

„Jufvrouw Graevestein,” begon Aemssens, „ik aarzel waarlijk, na alles wat ik hoor’, het u af te raden; – als u den moed hedt om te fantaiseren, niemand zal het aangenamer zijn, dan mij.”

„Ik bid u, doe het!” bad Hendrik van Oudenhove; „er was een tijd, dat....”

Mevrouw Ovens mogt gissen zoo veel zij wilde, raden wat er in Anne’s gemoed omging, deed zij niet. Zonder Hendrik aan te zien, wendde zij zieh tot Aemssens:

„Als u mij in den beginne accompagneren wil,” smeekte rij, en gaf hem den toon aan, en het thema, dat haar voor den geest zweefde.

„Om u, gaarne,” zei de baron, en Anne plaatste zich voor de piano; maar Hendrik van Oudenhove stond ditmaal buiten het bereik der blikken, die mevrouw Ovens van hare chaise longue werpen kon.

En zal ik nu eene uitvoerige schets geven van wat zich naauwelijks schetsen laat? van eene improvisatie op de piano, slechts bij lange tusschenpoozen door de viool van Aemssens versterkt en vervangen? eene improvisatie, die door Hendrik van Oudenhove alleen volkomen werd verstaan? Het schitterende gehoor verbaasde zich misschien over den eenvoud des aanhefs, over het rustige van het motief, dat Anne’s klankenvloed ter welader strekte; voor hem herriep het de stille woning, waarin bij, door eene toevallige aanraking met den ouden Graevestein, toegang verworven had; waarin hij enkele malen onder de weinige toehoorders van haar spel had behoord. Eene stemme van hartstogt stoorde die harmonie; – hij wist wel wiens stemme het was geweest – maar geen antwoord als zij smeekte, verwierf ze; het rustige motief rolde op nieuw door de zaal. „Allerliefst,” zeide zijn buurman; hij herhaalde: „allerliefst,” met een gezigt, welka pijnlijke uitdrukking die woorden logenstrafte, en weder wilden de klanken, die den eerste dien lof hadden ontlokt, zich doen hooren; maar zij gingen onder; maar zij werden gesmoord in eene elegie, welke niet enkel Hendrik van Oudenhove begreep; waaraan de schare, door hare peinzende verteedering, de schoonste hulde bragt. Er sprak eene smarte uit, die noopte tot tranen. Aemssens bemerkte de aandoening, aan welke Anne ter prooi was, en viel in, met eene herhaling van den kreet van hartstogt, straks door de piano geslaakt; eene korte wijle ruischte alleen het vioolspel op de lucht; dáár herstelde de bewogene improvisatrice zich. Een nagalm der elegie, en geene opvanging, geene beantwoording van de bede om liefde – hoe Hendrik van Oudenhove zich verweet, haar niet te hebben bezocht in haren rouw! – een nagalm der elegie verteederde nog eenmaal het gehoor, en werd vervangen door een stouter lied, door eene telkens hooger steigerende vlugt, als ge mij dat woord vergunt; het was of eerzucht den boezem der spelende blaakte. Hendrik herkende die drift in het tegelijk steigerende en onbevredigende maar te wel, Vergeefs wilde Aemssens nog eenmaal invallen; forscher sloeg de verbeelding der improvisatrice hare vleugelen uit: jubelend scheen zij de bereiking van haar doel te begroeten; plotseling enkele sombere toonen,en het spel was gestaakt.

De zaal daverde van toejuiching; maar wie er ook voor deze dank zeide, Anne Graevestein niet. – „Lucht!” riep zij, „lucht,” en troonde Louise mede, toen Aemssens haar zijnen arm bood, – in het volgende oogenblik was Hendrik van Oudenhove het drietal op zij.

De overige gasten gingen ook naar buiten, en geen hunner of harer, die der pianiste niet om strijd betuigden, hoe zeer zij haar hadden bewonderd. Slechts mevrouw Ovens ontbrak onder de huldigenden; – voor het eerst van haar leven verdroot het haar, dat zij eene delicate constitutie te soigneren had; dat zij het gezelschap in de opene lucht, behoudens hare reputatie, niet volgen mogt. Behoef ik op te merken, dat het haar minder ergerde, dewijl zij Anne niet komplimenteren kon, dan dewijl er, dans le premier élan, voor haar zoo veel zou zijn te zien geweest? Een oogenblik dacht zij aan een toeval, om de gasten, pêle-mêle, in de zaal te herroepen; maar het ging niet; als het grootste vertrek des huizes, moest de zaal voor het diné in orde worden gebragt; de receptiekamer was reeds voor het muzijkpartijtje te klein geweest.

„Willem!” riep zij, en liet zich in den zuilengang brengen, uit welken haar blik de wandelende paren bespiedde. Baron Aemssens had Louise den arm geboden; – het was iets, het was niets! Schoon zij wist, dat hij anderhalf jaar weduwenaar was geweest, met zoo hooge verwachtingen vleide zij zich niet: „Baronnesse Aemssens zou anders heerlijk klinken!”

Indien zij eens geweten had, dat Aemssens slechts over Anne sprak: dat hij beraamde haar voor te stellen te zijnen huize zijne mama gezelachap te houden, en tevens hare studien voort tezetten! Hij had van Louise de bijzonderheden van haar lot vermomen; hij was over haar talent in de wolken.

Het tweede paar, dat zij onderscheidde, waren Anne en Hendrik van Oudenhove; – het stond slecht met het secretarisschap van den jongen advocaat.

„Jufvrouw Graevestein,” zei Hendrik, „heb ik andermaal mijn vonnis moeten hooren?”

„Ik heb achting, ik heb vriendschap voor u,” was haar antwoord, „maar” –

„Anne!” verstoutte Hendrik zich, „gelukkig zult ge door dien roem niet zijn” –

„Roem!” zuchtte zij; – maar Aemssens en Louise waren hun op zijde, en de eerste deed haar den voorslag, kennis met zijne mama te komen maken. „Eene invitatie zal ze u zenden, zoodra ik, haar heb verteld, hoe ge ons heden hebt verrast.”

1844.

P. S.

Gerne hätt’ ich fortgeschrieben,
Aber es ist liegen blieben.