Jan Prins

Batavia

Zooals, met zijne alom zich kronkelende takken,
met heel zijn heimlijkheid, over het wijde plein
de treurboom staat, zoodat binnen zijn schaduwvlakken
de menschen kleiner nog dan van nature zijn, -

de wereld in het rond, de wegen, de gebouwen,
't is één verlatenheid, verdronken in het licht,
maar om den koelen dom van zijn gestalte vouwen
zich de uren, vouwen zich dagen en jaren dicht, -

zoo, als een duistere overwelving, waar beneden
het ordeloos bedrijf der menschen woekert, dat
alom de ruimten vult, - zoo, hoog over de stad,
hoog over haar verzonkenheid, staat het verleden.

Haar dagen, een voor een, ontwikkelen zich tot
het eindelijke feest dier vreemde schemeringen,
waarin een ander licht de wereld te doordringen,
te zwermen schijnt over de verten van het lot.

Haar wijken, onder den verminderenden schijn
des avonds, liggen wijd en weerloos, als ten doode
gedoemd. - 't Is of zij nog vervuld van episoden
uit eenig oud verhaal van woede en oproer zijn.

't Is of het einde, dat haar ouderdom bekruipt,
nader in aantocht is uit het geheim der tijden.
O, - deze vleugelen, die in de stilte glijden,
dit onafwendbare, dat in de schaduw sluipt...

Heel in de verte staan van de eeuwige vulkanen
de vormen duidelijk geschreven op de lucht.
Daar is het land, waarheen 't verlangen ons ontvlucht
het land van koelte en rust en kalme schemerlanen.

Daar zet de heugenis der Soendaneesche rijken
zich in de samenleving en haar vormen voort:
in de gedragenheid, waarmee het beeldend woord
beweegt, waarmee gewaden om de schreden strijken,

in de volkomenheid, waarmee zich het gebaar
als een versiering in de stilte schijnt te weven,
in heel de landelijke regelmaat van 't leven,
zooals die zich ontwikkelt, vredig, vast en klaar.

Maar om ons heen is het verbrokkeld overschot
van wat zich eens over de toekomst leek te welven:
een dier verschijningen, volledig in zichzelven,
en veilig, schijnbaar, voor de vlagen van het lot.

Hier, uit de wildernis van boschrand en moeras,
wies de gemeenschap eens der mannen van het Westen,
hier was het, dat hun zelfverzekerdheid zich vestte,
dat hun de wereld als een wettig erfgoed was.

Van hier, over den valen einder, wijd en zijd,
brak de onweerstaanbaarheid zich baan van hun begeeren,
hier wisten tegenslag in voorspoed zij te keeren,
en van hier, torenhoog, klom hun vermetelheid.

Maar in het schamele van den huidigen staat
is van dien ouden praal niets aan de stad gebleven.
Al wat naar grootheid ging heeft zich in haar begeven,
zooals een stem zwelt in een grot, en dan vergaat.

Nu ligt zij als de bouwval van een dood geheel
in de overstelping van beginselloozer tijden.
Onzeker nog, maar onmiskenbaar toch, bereiden
zich nieuwe vormen voor aan ieder onderdeel,

en in de schemering der oud geworden lanen
valt hier en daar een sedert lang verlaten huis
in de berusting der vergetelheid aan gruis...

Om den rand van het dak strengelen zich lianen.


Uit de bundel: Verschijningen Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster