Jan Prins

De Dichter der Beatrijs

Bij dichten vondt ge weinig baat.
Men gaf u, zegt ge, vaak den raad,
uw dagen beter te besteden.
Het schonk u niet dan schraal gewin:
al gaf men uit, het bracht niet in, -
en zoo, als toen, is het nog heden.

Maar in uw hart, - al vond zijn lied
de opmerkzaamheid der menschen niet, -
liet zich de dichter niet vermoorden,
en onverschuldigd, ongevraagd,
tot voor de voeten van de Maagd,
droegt ge de wijgift uwer woorden.

Ge zongt. En in uw gave taal
werd het eenvoudige verhaal
tot een vertroosting veler smarten.
Ge zongt, zooals een dichter doet,
uit de stilte van uw gemoed,
uit de bewogenheid uws harten.

Uw beeld verliest zich in 't verschiet,
uw naam, uw woonstee kent men niet,
uw leven niet in deze landen.
Van uw bestaan bleef ons alleen,
door aller tijden diepte heen,
't zuiver mirakel uwer handen.

Want omderwille van de non,
die liefde niet verloochnen kon,
treedt in uw woord, - opdat zij moge
van zondes boetschuld zijn bevrijd, -
de schoonheid zelve in dienstbaarheid...

Daar is het wonder mee voltogen.


Uit de bundel: Verschijningen Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster