Jan Prins

De Beek

Van de hoog omgroeide toppen
       naar de vlakte, - als uit een kreek
van geheimenis en duister
       en verborgen koelte, - bleek
en onzeker in het krieken
       van den morgen, vloeit de beek.

Rusteloos, - alsof zij, telkens
       weifelend, zich vergewist,
dat zij niet al van den aanvang
       in het volgen zich vergist
van den haar bestemden voortgang, -
       doolt zij in den morgenmist.

En zij waagt zich in het nieuwe
       blanke wonder van den dag
dat zij uit het woud al vr zich
       als een vreemde toekomst zag, -
dat zij nu als wat bereikt is
       eindelijk ervaren mag.

De verlatene ochtenduren
       heel den heeten middag door
tot den naderenden intocht
       van de schemering, - tot voor
de bedreiging van den avond, -
       windt zij glinsterend haar spoor.

En terwijl zij in de vlakte
       zich ontkronkelt, bocht na bocht,
is het, of zij iets in elke
       nieuw ontdekte verte zocht, -
iets wat zij in haar verwachting
       omdroeg, maar niet vinden mocht. -

Zou het in de schoone diepte
       van het lager landschap zijn, -
in de heimelijke stilte
       van een schaduwvol ravijn,
of in de verheven, kalme
       verten van den avondschijn? -

Altijd, - altijd vloeit zij verder...
       Tot ze, aan de begrenzing schier
van het daglicht, voor de ruimte
       van een open dal komt. - Hier,
meent zij zeker, moet het wezen...

       En zij valt in de rivier.


Uit de bundel: Verschijningen Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster