Jan Prins

De Buit

Wanneer ik wederkeer uit mijner droomen landen,
mijn bodem met den buit der eenzaamheid bevracht,
en vóór mij, aan den bleeken uitgang van den nacht,
doet de onafzienbaarheid zich op van levens stranden,

en tusschen reven door, waarover brekers branden,
is eindelijk mijn schip in veiligheid gebracht, -
dan komt de lading los, - en naar de vreemde pracht
van zooveel ongeziens rekken zich rappe handen.

Vachten van edelbont en kostelijk brokaat,
waarvan het is, of er de zon in onder gaat, -
zoodat de kreten der aanschouwers het begroeten...

Maar in de diepte van het ruim, binnen den schoot
van koelte en afgezonderdheid, rust het kleinood
dat ik verborgen houd en neerleg voor uw voeten.


Uit de bundel: Verschijningen Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster