Jan Prins
Het Dal
Tusschen de bergen, - diep en smal,
van zonneschijn doorschoten
onder den middag, - ligt het dal
volledig ingesloten.
Binnen den hemelhoogen wal
der stilte, als in verwonderd
alleen zijn, ligt omlaag het dal,
volkomen afgezonderd.
De glooiingen, terzijde, gaan
omhoog, tot waar de wouden
rechtop tegen de wolken staan,
of zij die stuiten zouden, -
en waar de bodem langzaam helt
naar wijder landerijen,
staat van de rijst in veld aan veld
de rijkdom te gedijen.
De wind, belust op avontuur,
beweegt zich in de halmen.
De middag, in dit rustige uur,
schijnt aan de lucht te talmen,
en uit de verte, klaar omlijnd
voor 't evenwichtig glanzen
van water in de zon, verschijnt
een jongen met zijn ganzen.
Zij waggelen, geweldig wit
in 't weeke groen. Zij blijven
tezamen in één lang gelid
van schomlend ronde lijven,
en als een wolkenschaduwval
zich langzaam heeft bewogen
en wegtrekt uit het nauwe dal,
zijn ze ons alweer uit de oogen.
Wij hooren, hoe een vogel fluit
en weder fluit. - Ons even
waarneembaar nog, lijkt zijn geluid
in de eenzaamheid geweven, -
en dan, opeens, gaan overal
de koele diepten open
van schemers aanvang. 't Roerloos dal
komt de avond ingeslopen.
Uit de bundel: Verschijningen
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster