Jan Prins

Het Huis

Wij gaan in den winternamiddag
de stilte langs van de vaart,
waarin de hemel verzonken,
waarover het licht is bedaard.
Wij gaan, - alleen in den wijden,
ontzaglijken schemerdom,
die hoog is om het geboomte,
hoog over het land rondom.

Geweldig, tegen de wolken,
gaan donkere stammen op,
gekroond, gekromd en ontkronkeld,
vertakt en vertwijgd aan den top,
en over de rust van het water
en over zijn rimpeling heen
staat een verlaten behuizing,
afzonderlijk, oud en alleen.

Daarachter hangen de nevels,
daarachter, als van een woud,
verheft zich tegen den avond
het dichte, donkere hout,
en voor ons heen gaan de schuiten
met hun bestendig gedruisch. -
Maar onbezocht, in zijn vijver,
staat het afzonderlijk huis.

Wat is het, dat onweerstaanbaar
ons dichter tezamen dringt,
alsof iets eeuwig-bedroevends
de stilte rondom doorzingt,
alsof de schemer doorgloeid is
van noodlots somberen schijn. -
Wat is het, wat in de wereld,
dat ons verslagen doet zijn?

Gesloten, dood en vergeten,
als door een diepte van rouw
door't roerlooze water omdonkerd,
staat het verlaten gebouw,
staat als met een gansch verleden
van kilte en miskenning bevracht,
verwaarloosd onder de stilte,
het huis in den komenden nacht.

Wij gaan voorbij. In de verte
trekt zich de schemering dicht,
en langzaam achter de boomen
verzinkt en vermindert het licht,
en als wij beiden, wat later,
nog even stil blijven staan
en omzien, is in den nevel
het huis verloren gegaan.


Uit de bundel: Verschijningen Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster