Jan Prins

De Kust

Eens, op hun tocht vanuit het Oosten,
kwamen de menschen bij de kust
en dronken, als om zich te troosten,
de oogen zich vol aan ruimte en rust.

Over het golvende gewemel
ontwaarden zij den einder, strak
en vast onder den klaren hemel
als onder een metalen dak.

En bij die verte, voor hun schreden
onoverzienbaar uitgespreid,
hervonden, ballingen van Eden,
zij ook in zich de oneindigheid.

Over het eeuwige gebogen,
als aan den oever van hun smart,
dreef er een schemer voor hunne oogen,
kwam er een kreet op uit hun hart,

en met hunne uiterste gedachten,
met heel de grenzeloosheid mee
die altijd, altijd in hen wachtte, -
zagen zij uit over de zee.

De nacht kwam. Als een wijkend wonder
nam in de kim de schemer af,
en met het licht, dat haar begaf,
ging allengs ook de wereld onder,

en over de verzonken, zilte
waterbewogenheid, tot aan
de uiterste verte, kwam de stilte,
onmetelijk en diep, te staan.

Maar nog, met hun verloren wenschen,
in hun berooidheid, voor den vree
die hen omgaf, stonden de menschen, -
en zagen uit over de zee.


Uit de bundel: Verschijningen Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster