Jan Prins

De Lamp

De kamer, - en daarbinnen hing,
in 't midden van de schemering,
de bruine ruimte, - door een damp
van licht omringd, de lamp.

De meubels aan de wanden, klein
en donker in den valen schijn,
en gij alleen, hoog opgericht,
den gloed op uw gezicht.

Den gloed, uit uw doorschaduwd haar
in draden hangend hier en daar,
zooals uit donkerte van groen
de zonnestralen doen.

De kleeding met de witte strook,
daar 't warmer blanke in onderdook,
hing af, - en uit die koele dracht
uwe armen, rank en zacht.

Uwe armen, waar ge 't licht in woudt
omvatten, scheen het, - al dat goud,
dat als een los geweven kleed
over uw schouders gleed.

Toen hebt gij om uw stralend hoofd
den stralenbundel uitgedoofd.
De glans om uw gelaat verdween. -
De stilte bleef alleen.


Uit de bundel: Verschijningen Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster