Jan Prins

Het Dansende Meisje

Alleen met de overschenen wemeling der golven,
met die langdeinende bewogenheid alleen,
onder de volte van het middaglicht bedolven,
en met de bodemlooze ruimte over zich heen. -

met de onafzienbaarheid alleen, die van haar voeten
tot aan den horizon onrustig is en glanst,
en met den wind alleen, en met de wolkenstoeten
rondom haar aan de lucht, - is ze onbedekt en danst

Voorzichtig, als om eerst den bodem te beproeven,
betast zij met den voet het pas ontbloote strand,
de rimpels, hard en smal, die er de golven groeven,
en de weerbarstigheid van het nog vochtig zand.

Dan, in de wijde zee der eenzaamheid gedoken, -
de zilte lucht haar als een koelte om het gezicht, -
aanvaardt zij het gebaar, dat in haar is ontloken,
en ze offert zich den wind, den hemel en het licht.

Zij danst, - en zij beweegt, van zonlicht overgoten,
zich telkens dieper in het ziedend water, dat
haar gretig in zijn wilde omvatting houdt gesloten,
haar om de lenden spoelt, haar om de borsten spat.

Zij danst. - Over de zee, het ledig strand, den toren,
staat in zijn hooge rust de middag uitgespreid.
En voor dit roerlooze uur, in haar geluk verloren,
is zij alleen en danst, - onder de oneindigheid.


Uit de bundel: Verschijningen Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster