Jan Prins

Morgentocht

Wij kwamen, uit den hoogen rand
       van 't heuvelland,
het eenig boschpad afgestegen,
langs waar een dalstroom voor ons oog
       zijn bochten boog.
De morgenrust was allerwegen.

De lage zon, een flauwe lamp,
       was nog den damp
nabij den einder niet ontkomen,
waarin het schuwe nachtuur vlucht
       onder de lucht,
die heller opklaart om de boomen.

Onduidelijk, tegen de kim,
       zag men den schim
der verderaf gelegen wouden,
alsof een moedelooze schaar
       gestalten daar
in afwachting werd saamgehouden.

Geen blad bewoog zich in het rond.
       Over ons stond
de hemel, - in zijn kalme strakte,
wijd en verlaten van geluid.
       En voor ons uit,
aan onze voeten, lag de vlakte.

Toen, in de gave stilte, ontschoot
       aan 't morgenrood
een vuurstraal, die de wolken kliefde,
de lucht doorstak zoover men zag.
       Daar was de dag,
daar was het licht, - daar was uw liefde.


Uit de bundel: Verschijningen Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster