Jan Prins

De Paarden

In 't Zuiden, in Zuid-Beveland,
       waar over alle dijken,
waar dicht over den waterkant
       de neveldiepten wijken,

waar zich tot aan den horizon
       de regelrechte lanen, -
zoover, zoover ik volgen kon, -
       een schemerdoortocht banen,

heb ik in het vergeelde gras,
       in wat alom verdorde,
in wat alom verschrompeld was,
       den zomer oud zien worden.

Het dun gemunte lindeblad,
       terzijde bij de gevels,
het hooge loof der olmen, dat
       nog opstak uit de nevels,

de verten, die men vlammen zag
       in avondlandsche verven, -
't hing alles in den laten dag
       een schoonen dood te sterven.

Maar op den akker lag de grond
       alweer in voren open.
Den landman zag men haastig rond
       zijn wachtend ploegspan loopen,

en eenzaam stonden, in den kring
       der pas omkouterde aarde,
geweldig in de schemering
       en donker de drie paarden.

Drie paarden, aan den zwaren zeel,
       die van den lijve dampen,
die zich verzetten in 't gareel,
       die steigeren, die stampen.

Drie paarden, driftig in den toom,
       waarvan de lange manen
bewegen voor den hemelzoom
       als sombere oproervanen.

Drie paarden, - en de wijde lucht
       rondom hen, en de boomen,
       die in den avond droomen. -
En dan een late vogelvlucht,

die men vanaf den waterkant
       en over alle dijken
       ziet wijken en ziet wijken, -
in 't Zuiden, in Zuid-Beveland.


Uit de bundel: Verschijningen Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster