Jan Prins

Schaduwboomen

(Erythrina lithosperma)

Hoog over de stille tuinen
staan zij met hun wijde takken,
met hunne uitgebreide kruinen,
met hun breede lovervlakken, -
staan zij met hun teeder blad,
hoeders van den schaduwschat.

Aan het struikgewas ontstegen,
dat zij voor de zon beschermen
en waarover zij, genegen,
met hun koelte zich ontfermen, -
dat zij schijnen in hun schoot
te verbergen voor den dood, -

overwelven zij de groote
groenbevloerde schemeringen
die, van weinig licht doorschoten,
hun onroerig zijn omringen, -
de verholene eenzaamheid,
waar de roode bes gedijt.

Soms, in wind- en regenvlagen,
wordt hun donker hoofd bewogen,
wordt de samenhang dier hooge
statigheid uiteen geslagen, -
komt de nevel, bleek en koud,
aangedreven door hun hout.

Maar dan staan zij weer, en maken
zich een stilte om het gestoelte
van de wortels, en bewaken
zij de kostbaarheid van koelte,
die hun lang geduld zich won.

Alom elders heerscht de zon.


Uit de bundel: Verschijningen Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster