Jan Prins

De Schipper

Van den Vlieter in het Zwin
vaart de schipper onverdroten,
ruim den wind en ruim de schoten,
omderwille van 't gewin
den onthulden morgen in.

Overal, zoover men ziet,
zijn er torens, zijn er boomen
aan de lage kim ontkomen.
Tot in 't uiterste verschiet
is het ruimte, en anders niet.

Al de tonnen langs, terzij
van de vaargeul, om de blanke
nu weer bloot gelegde banken
zet het zuigend ebgetij. -
En de schipper vaart voorbij.

Aan den hemel, wijd en zijd,
met haar witgebolde lijven
ziet men traag de wolken drijven, -
met haar vormen uitgebreid
aan de stille oneindigheid.

Op het water valt het licht,
en de loome golven hijgen
op, en zinken weer, en zijgen
in bewogen evenwicht...

En de schipper is uit zicht.


Uit de bundel: Verschijningen Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster