Jan Prins
De Vlieger
Zal mijn heftig hart bedaren,
nu de reis begint
om den hemel in te varen
en den wilden wind,
om in verten te verblijven
waar de vogel roeit,
waar de wolken langzaam drijven,
van het licht omvloeid?
Zal ten slotte ik op dien hoogen,
op dien steilen tocht,
de verlossing vinden mogen,
die ik zoo lang zocht,
zal ik voor het ongedachte,
voor het wonder staan
in de ruimten die ons wachten?
Kom, - de reis vangt aan.
Van het water opgestegen,
hoog over de ree,
zien wij al het land gelegen
en de wijde zee,
en de wolkenschaduw trekken,
diep nabij de kust,
en er veld na veld bedekken
met haar koelte en rust.
Uit het duistere geheven
der onpeilbaarheid
liggen, op hun witte reven,
de eilanden gespreid,
ieder in den ring geklonken
van het gave strand,
waar de zeedrift, zonnedronken,
over bruist en brandt.
En wij sturen, - en wij sturen
in de klare lucht,
aan den gang der eindige uren,
aan den tijd ontvlucht,
aan de verte ons toevertrouwend
waar ons hart om hijgt, -
wijder ziend en dieper schouwend,
naar men hooger stijgt.
Wijder ziend en vaster wetend
naar men stiller leeft,
naar men, eigen leed vergetend,
eerlijker vergeeft, -
eerlijker zich weet te schikken
naar dien deelgenoot
onzer eenzaamste oogenblikken,
den getrouwen dood.
Hoe eenvoudig, na dit even
hoog als hel festijn
der aanschouwing, zal het leven,
zal de wereld zijn,
nu dit einderwijd gewemel
ons heeft toebehoord...
In het licht, tegen den hemel,
gaat de vlieger voort.
Uit de bundel: Verschijningen
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster