Jan Prins

Vorstenlanden

Over oude bruggen, oude wegen,
aldoor kronkelt de bevolking zich,
en den open hemel ingestegen,
staan de berzen. ver en zilverig.

In het gele en bruine landschap zetten
naar den einder zich de lanen voort,
met haar wijdvertakte schaduwnetten
op den bodem, elk een diepe poort

van opvolgende geruischlooze uren.
Ronde looverschermen hangen af
uit de scheemringen, die eeuwig duren, -
als over de stilte van een graf.

Grauwe tempelbouwvallen, terzijde
van den heerweg, heffen in het licht
van den morgen de van ouds gewijde
vormen der versiering. Opgericht

in het zich bewegingloos voltrekken
van den naderenden middag, staan
zij bijeen, tusschen de leege plekken
waar het oogstwerk al is afgedaan.

En nabij de bochtige rivieren
ligt de grond, verweerd en ruig en rood,
tot omlaag, waar menschen zich en dieren
badende dooreenbewegen, bloot.

Als in trage karavanen rijden
de overhuifde karren, een voor een
door den buffel met zijn logge zijden
stapvoets meegetrokken, langs ons heen,

en in onafzienbaar diepe drommen, -
overal waar in het veld, tot aan
de eerste heuvels, zich de wegen krommen, -
ziet men rustig de bevolking gaan.

In hare effen donkerblauwe kleeren,
of zij niet dan dit gewaad bezat,
gaat zij voor zich, in den dienst der heeren,
die in aanzien leven in de stad.

In den dienst der sombere rijksgrooten,
die nabij een afgezonderd plein
van den kraton met hun feestgenooten
om het schimmenspel tezamen zijn.

Onder 't afdak, dat het licht vermindert,
geen beweging, die de stilte stoort.
Uren, uren lang gaat ongehinderd
voor hunne oogen de vertooning voort,

en over de roerloosheid der dingen
rimpelt zich, als een geheimenis
uit de ruimte, 't nauw waarneembaar zingen
van muziek, die zelve een stil zijn is.

Buiten, langs de wijdgebaande paden,
van de stad, gaat hier en daar een stoet
edellieden met hun siergewaden
't ons verborgen uitzicht tegemoet

op begroetingen, op wapenschouwen
en op wat zich verder voordoen mag
in 't beslotene der hofgebouwen,
in de verten van den leegen dag.

Onverschillig, bij hun kleine kramen
zitten de verkoopers op den grond,
hurken in de schaduwvlakken samen
tot het ingaan van den avondstond,

en hoog uit boven de kampongdaken
hangen duiven in haar kooien, aan
't buigend uiteinde van bamboestaken
't middaguur zoetroepend door te maken.

Ergens, in de verte, kraait een haan.


Uit de bundel: Verschijningen Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster