Jan Prins

De Vulkanen

Als donkere onverganklijkheden
van stilte, als werelden van rouw
tusschen het uitgestrekte blauw
des hemels en het land beneden,
als onweerstaanbaren, die tot
het eeuwige zich intocht banen
vanuit het schamele aardsche lot,
staan boven Java de vulkanen.

De regen ruischt
en ritselt om hun zijden,
de schemer huist
om hun gestalten heen,
boven het land,
zijn verten en zijn tijden,
staan zij geplant,
ontzaglijk en alleen.

De wolken uit
en nevelrijke streken,
aan elk geluid,
aan elken drift ontvlucht,
rijzen zij op
in 't morgenlicht, en steken
hun gaven top
de stilte in van de lucht.

Tot van zijn vuur, -
om hun rijzige leden, -
het middagsche uur
de felle vlagen slaat,
tot in den nacht
met zijne onzienlijkheden
de late pracht
van 't zonlicht ondergaat.

Dan stijgen zij,
in eenzaamheid gesloten,
't rijzend getij
van stilte en donkerte in,
en om hun hoofd,
den hemel in gestooten,
vloeit het gedoofd
licht af in 't nachtbegin.

Zoo staan zij rank
omhoog, tot in den morgen
de wereld blank
en bloeiend wordt in 't rond,
maar in den rand
van dooden steen verborgen,
diep in hen, brandt
de vreeselijke wond.

Als eeuwige ontoeganklijkheden
van stilte, als werelden van rouw
tusschen het onmeedoogend blauw
des hemels en het land beneden,
met hun omhoog gestoken vanen
van damp, in statig evenwicht
langzaam uitrollend in het licht,
staan boven Java de vulkanen.


Uit de bundel: Verschijningen Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster