Jan Prins

De Wegen

Alom, in 't Javaansche land,
gaan de wegen, - gaan de wegen
donkerte in en zonnebrand.

Waartoe, waartoe voeren zij ?
Tot de verten, - tot de verten
van de kim, en daar voorbij.

En tot de verheven rust
der geweldige vulkanen
gaan zij op vanaf de kust.

Hoever men ze langs kan gaan?
Tot het einde, - tot het komend
einde zelf van dit bestaan.

En waar men zich vindt gebracht?
Voor de stilte, - voor de koele
diepe stilte van den nacht.

Eenmaal is een wandelaar,
zegt men, langs de late wegen
't avond-hoogland in gestegen
tot den verren zoom, vanwaar
men de wereld overziet.

Telkens hooger klom zijn lied,
en nog lang, nog lang nadien
heeft zijn klare stem geklonken.

Niemand heeft hem weergezien.

Maar bij tijden, naar men zegt,
als zich de avond zonnedronken, -
zóó een pauw, die staat te pronken, -
wijd over de wolken legt.

als nabij den kraterrand
schaduwen en vreemde schimmen
de verlatenheid beklimmen
waar de roode zon in brandt.

ziet men in die wildernis
over hellingen en holen
eenzaam een gestalte dolen...

En opeens wordt men 't gemis
zich bewust van wat in 't leven
nimmer te verwerven is.


Uit de bundel: Verschijningen Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster