Jan Prins

Winterhout

Alom, aan de ronde zoomen
van het rustig vergezicht,
aan den lagen damp ontkomen,
aan den oever van het licht,
achter 't levendig gewemel
van de daken, op het goud
van den uitgespannen hemel
opgericht, is 't winterhout.

Hoog over de leege tuinen
staat het, zuiver afgerond,
met zijn vederige kruinen
op tegen den avondstond,
met zijn neergebogen takken,
met zijn twijgen, teer en sterk
en volledig, op den zwakken
weerglans in 't namiddagzwerk.

Met de roerlooze verschijning
van zijn hooge statigheid,
met de zekere belijning
van zijn wasdom, uitgebreid
op de stilte, over een hoeve
rijzend of om een gehucht,
is 't aanwezig in de droeve
leegheid van de winterlucht.

Maar inwendig, in den gaven
taaien vezel van zijn stam,
is 't of iets, dat lang begraven
lag, opnieuw tot uiting kwam,
of iets, dat zich had begeven,
uit zijn diepste wezen tot
de verlokking van het leven,
tot het licht naar buiten bot.

Eer zich elders iets vertoonen,
eer men iets vermoeden zal
wordt het in zijn wijde kronen
donkerder en dichter al,
wordt het voller in den bleeken
omtrek van zijn duisternis,
als het allereerste teeken
van wat vast in aantocht is.


Uit de bundel: Verschijningen Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster