Jan Prins

De Wolken

De wolken drijven op het woud,
zoo langzaam, dat ge denken zoudt,
wat of haar voortgang toch weerhoudt...

Tegen de helling trekken ze op,
en hangen om den heuveltop,
en zinken af, het zijdal in,
en dralen bij het boschbegin,
of zij zich hechten aan zijn hout. -

De wolken drijven op het woud,
zoodat zij in den avondschijn
als dwalende gestalten zijn,
als een verdoolde, vreemde kring
van schimmen in de schemering,
als een bedroefde, moede stoet.

Wat is het, dat haar talmen doet
en druilend zijn? - Is het een rouw
die in haar leeft, als van een vrouw
om den man, dien zij heeft bemind,
als van een moeder om haar kind,
als om de zon, als om het leven
van wien het licht dreigt te begeven,
van wie zich eenzaam voelt en oud? -

De wolken drijven op het woud...

Of is het een verlangen, dat
haar aan de lucht zoo traag doet gaan,
alsof haar een gehecht zijn aan
't verledene bevangen had,
alsof haar een verborgen kracht
van wat haar wachtende is weerhield.
Wat mag het zijn, dat haar bezielt,
haar in het late bleeke goud
van 't avonduur te omvangen tracht...

De wolken drijven op het woud. -


Uit de bundel: Verschijningen Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster