Jan Prins

De Zalen

Wij kwamen de bochtige straten
van de oude binnenstad uit.
Wij hadden haar volte verlaten
en haar verdoovend geluid.
Wij gingen nu langs de grachten,
waar schaduw en zonneschijn
als lang bezonken gedachten
gelegen in de eenzaamheid zijn.

De morgen was licht. Wij zagen
hoog boven ons aan de lucht
losvlokkige wolkenvlagen
naar 't ijl verschiet op de vlucht.
Zij gingen, een stoet van droomen,
waar elk van opvolgend verdween.
Het najaar, rustige boomen
doorglinsterend, hing om ons heen.

Van lage dampen omdreven,
bedauwd, bepareld en puur
stond over de stad het even
gesluierde morgenuur,
en - achter de vroege nevels
in vestiging nog - begon
al hier en daar aan de gevels
het komende feest van de zon.

Toen sloegen wij af, het wijde
verschiet der buitenstad in,
de stilte rondom ons beiden
van 't huiverend dagbegin,
en achter ons, - de grachten
waar schaduw en zonneschijn
als lang doorleefde gedachten
gelegen in de eenzaamheid zijn.

* * *

Wat later, in statige zalen,
vonden wij bezonkenheid.
Wij zagen het daglicht dalen,
wij zagen het rustig gespreid
op donker glanzige vloeren,
wij zagen het gloeien op oud
brokaat, en vormen beroeren,
gebeiteld in zwartverweerd hout.

Het vloeide langs de paneelen,
het broeide nabij den grond,
het fonkelde, als in juweelen,
gedreven sieraden rond,
het sloop in eenzame hoeken,
het golfde om een oud gordijn,
het vlamde in felkleurige doeken,
het kwijnde in teerbleek porcelein.

Toen werd het, of om uw schreden,
of om uw schaarsch gebaar
ik telkens iets gewaar
werd uit een geliefd verleden -
het werd of ik u zag schrijden,
en soms of ik u verloor,
het gansche vergezicht door
van alle menschlijke tijden, -

en of ik allerwegen
in wat men vinden mocht, -
door alles wat is verkregen,
door alles wat is gewrocht,
door alles wat in de menschen
geworden is en ontstaan
uit hun verborgenste wenschen, -
in u de schoonheid zag gaan.

In rijzige baldakijnen
hing over uw schouders het licht,
en met haar schemeren schijnen
de schaduw om uw gezicht,
en voor u uit, achter ramen
en poorten, zoover men zag,
zoover de wereld ons samen
verscheen, - voor ons uit was de dag.

* * *

Wij gingen weer in de straten,
de morgen was hoog en stil,
de lucht stond wijd en verlaten.
Er was onzeker getril
van geel dun loof in de takken,
waaronder zich damp had verdicht.
De wereld, in groote vlakken
van kleur, lag onder het licht.

De dag stond over ons open,
het leven lag voor ons uit,
de stad, van walm overslopen,
was druk van duister geluid.
En wij hervonden de grachten,
waar schaduw en zonneschijn
als diep vertrouwde gedachten
gelegen in de eenzaamheid zijn.


Uit de bundel: Verschijningen Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster