Jan Prins

Het Zangspel

Een kalme, wijde nacht. De volle maan
hoog en alleen boven de ronde boomen,
die bij elkander op het voorplein staan,
en waaromheen zich 't uur ligt te verdroomen.

Een menigte op den ongelijken grond
en op de langzaam afdalende treden,
die als een schelp van ruimte en duister rond
den voortgang liggen van het spel beneden.

Schoone gestalten, levend in het licht,
lenige knapen, rustig ranke vrouwen,
in den zangerigen schemer opgericht,
waarbovenuit gebaren zich ontvouwen.

Dan, - men weet niet vanwaar, - het diep geluid,
dat om ons gonzen komt uit bronzen schalen,
't afzonderlijk geneurie van een fluit,
dat voor zich heen den nacht schijnt in te dwalen.

en de voltrekking der gewijde sprook,
van mond tot mond door eeuwen heen gedragen,
en waar rondom iets drijvende is als vlagen
van offergeuren en van altaarrook.

Uren aan uren gaat het schouwspel voort.
Niets is er, dat zich roert onder de kronen
die zooveel jaren heugenis bewonen,
niets, dat het in zichzelf volmaakte stoort.

Langzaam, als lichte vogels, komt een vlucht
van kleine wolken in den hemel glijden.
Dan later, is het leeg weer aan de lucht. -

Een speeltuig blijft de stilte begeleiden.


Uit de bundel: Verschijningen Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster