Jan Prins

De Zeewind en de Landwind

De zeewind komt, een blonde schoone,
de verten toegesneld van 't land.
Ze wil het scheemrend blauw bewonen,
dat oprijst uit den waterrand,

het onbekende gaan verspieden,
dat in ravijn en dalkom schuilt,
en 't nog verhulde der gebieden,
waarop de morgennevel druilt.

Ze komt, den wadem op de wangen
die nog iets ziltigs in zich houdt,
van 't losgevallen haar omhangen,
glanzend van louter zonnegoud.

een schuimen sluier om de leden
zooals men er geen blanker zag, -
en waar zij komt, gaat om haar schreden
de schoonheid open van den dag.

Maar als zij voortgaat, en de zomer
haar in zijn middagvolte omvat,
wordt de begeerige onrust loomer,
die eenmaal haar doorhunkerd had.

Doelloozer doolt zij in de wouden,
de laat verlichte velden door.
Het is of iets haar zou weerhouden,
te naadren tot den avondgloor.

't Is, of een ongekend verlangen
naar wijder stilten haar doortrekt,
of zij van weemoed werd bevangen,
een droefheid in haar werd gewekt, -

en stervensmoede, en als geruster
bij het aanvaarden van den nacht,
bezwijmt ze in de armen van haar zuster,
de zwartgelokte, die haar wacht

en met zich voert, de vlakten over,
het onbegrensde tegemoet.
Men hoort de ritseling van 't loover
dat zij beroeren met haar voet,

en komen zij de ruimte binnen,
dan stort zich heel de rijke buit,
dien zij van 't land zich mochten winnen,
welriekend in de verten uit.

De zeeman, bij zijn eenzaam waken,
voelt, als een nachtelijke zucht,
iets welvertrouwds zijne aandacht raken
en hem omdrijven in de lucht.

Hij onderscheidt de versche geuren
van woud en weiden, stelt zich voor
wat al bekends daar mag gebeuren, -
en zegt: daar komt de landwind door...


Uit de bundel: Verschijningen Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster