Waarheid en Ideaal

Prosper van Langendonck

I

O zalig hij, wien hooger drift het hart doorgloeit
en hem, den fieren blik ten hemel steeds geheven,
tot grootscher uitkomst noopt dan 't zingenot van 't leven,
wiens geest, met aadlaarswiek, door 't eindelooze roeit.

Hem komt een hemels beeld, dat om zijn sponde stoeit
Met liefderijke lach, in al zijn droomen zweven,
wijl, zeesterre in den storm, het doel van al zijn streven
hem hoopvol tegenlacht en hart en zinnen boeit.

O zalig is hij! Wen hij, 't beeld nabijgekomen,
de minnende armen strekt naar 't onverganklijk schoon,
verzwindt het eensklaps met een schampren lach van hoon;

En als hij, tot aan 't doel gesteigerd, al zijn droomen
vervuld zal wanen, zal een onweerstaanbre macht
hem wederslingeren in de hel van d'aardsche nacht!

1883

II

Wee, die een toon van 't eeuwig lied heeft opgevangen,
en zijn verbeeldingszon door alles schittren doet;
die 't aardsche doortintelt met een goddelijken gloed;
die al 't geschapene aan de wijde borst wou prangen!

In vlekkeloozen vorm van grenzenloos verlangen
hergiet zijn scheppingskracht een zwakke vrouw; - hoe zoet
en majestatisch troont ze in 't dichterlijk gemoed
en rijst ze, als een godin, op 't altaar zijner zangen!

Daar scheurt, op 't onverwacht, der waarheid bliksemstraal
het scheemrig nevelwaas; de gouden tooverpraal
verdooft; de dood blaast op de frissche lenteblaren,

en de aangebeden vrouw, vergodlijkt boven God,
schopt zelf heur troon omver met woorden en gebaren
vol bandelooze drift en dierlijk zingenot!

1883



[Prosper van Langendonck pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.