Metempschychose

Prosper van Langendonck

Een zwervende boetelinge
langs ruwe en dorre paân,
door 't loodzwaar pak gebogen
van vroeger euveldaân,

zoo zwoegt de Ziele door 't leven,
daar eindeloos zich strekt,
steeds uit heur smeulende asch weer,
Als Feniks, opgewekt,

Want, legt ze een sterflijk hulsel,
- versleten reispak - neer,
dan vindt ze, in een ander lichaam,
een lijdensvorm te meer.

Meer zonden laat heur elk leven
na zich op den boord van 't graf,
die eischen, van 's hemels vierschaar,
een steeds verzwaarde straf.

Ook groeit, met ieder leven,
't besef van goed en kwaad,
doch hooger klimt het oorbeeld
en lager zinkt de daad!

O zaagt ge om 's knaapjes lippen
den lach der onttoovering niet?
Om heel zijn wezen dien zweem daar
van heimelijk verdriet?

En zaagt ge geen vurige harten,
zichzelven nooit gelijk,
die, steeds naar 't goede strevend,
steeds stromplen in het slijk?

Wat hebt gij, o Ziel, dan geleden,
in vroegeren levensstrijd?
Wat naamlooze misdaân bedreven
waarvoor gij heden lijdt?

Hoort, huilend als de baren
der rustelooze zeên,
holt door den nacht der tijden
't onsterflijk menschdom heen.

Wee! zwervende boetelinge
langs de eindelooze baan
door 't loodzwaar pak gedrukt van
der eeuwen euveldaân!


1885

[Prosper van Langendonck pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.