Aan eene onbekende

Prosper van Langendonck

'k Liet door den schouwburg onbestemd mijn blikken waren
terwijl ginds de opera wegschemerde in de vert'.
Bewustloos scheen mijn geest en 't bleef koud om 't hert.
Dan kwaamt ge - een lichtglans - voor mijn dolend oog gevaren.

En eensklaps trilde een wonder zingen op de snaren,
een lang vermiste toon, die me optilde uit de smert,
muziek, die als een blauwe zee bewogen werd,
wijl - ster der hoop - uw oog er pinkelde op de baren.

O! in een zoeten droom verzwond ik toen en dacht
aan schaarsgedeelde vreugde en nieuwe levenskracht
en 'k zocht ... was mijn Sirene in 't tovermeir bedolven?

Heen waart ge! - en hortend, klotsend, huilend ging 't akkoord
en stuwde weer mijn geest in sombre richting voort,
een naakt, ontredderd wrak, daar vlottend langs de golven ...


1887

[Prosper van Langendonck pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.