Naar Linkebeek

Prosper van Langendonck

Zomergoud smelt in den kroes der korenzee;
streelensziek ritselt ze om ons met listig spel,
  daar we nu 't kronkelend pad bestijgen,
        achtereen, naar de kruin.

Daarbeneên rust, in zijn tent van donker groen,
't koele dal, even ontvlucht, en doet den blik
  weiflen in wislend verlangen tusschen
        stil genot, steiler vlucht!

Hooger streeft, nimmer voldaan, het gloeiend hart;
hooger zwoegt, rood van den tocht, de drieste bent.
  Hijgend betreên we den rand en drukken
        's heuvelvlaks zachten zonk.

Langs der kom mollige bocht verlokt en leidt
ginds de baan waar, in een wrong van wingerdloof,
  loom van de gloeiende zon, de hoeve
        sluimert haar zwoelen slaap.

Droomenzwaar slentert de weg, van els en vlier
frisch omgeurd, heen om de woon, en - schielijk stom -
  zien we, als het land van belofte oneindig,
        't vergezicht blauw ontrold.

Veld en wei, heuvel en dal, en vlakte en woud,
immervoort, vloeien ineen met grootschen zwier
  golvend tot d'uitersten rand der aarde ...
        Verder door dringt de geest.

Ginds gewis, binnengereisd in 't blauw verschiet,
achter 't warm weemlend gestoei van aarde en lucht,
  plukt men, van geurigen twijg, de bloeme van
        zoete rust, zielevreê.


1891

[Prosper van Langendonck pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.