Hoogmoed

Prosper van Langendonck

I

In 't hoog geheim van 't grondelooze wezen,
ter kruin, omvloeid van de eeuwge morgenlichten,
is 't door geen Lot of Wereld te verwrichten,
't is verheerlijkt Ik in glorie opgerezen.

En voor 't Algoede-Alschoone, 't Onvolprezen,
gaan duisternis en schemering zwichten,
en stijgt, uit d'immer nieuwe vergezichten,
de psalm van vreugde en weeën uitgelezen.

'k Voel me eeuwig boven 't eigen mensch-zijn gloren,
en ginds het klein, heel ver gekriel der menschen
op aarde, in mijn oneindigheid verloren.

Naar de glorie vlammen liefde en wenschen,
en 'k voed - o bloedwet door mij-zelf geschreven! -
mijn eigen God-zijn met mijn eigen leven.

II

Uit zelfbehagen in mijn doen en trachten
heb ik de dingen naar mijn beeld in 't leven
geroepen en aan alles van mijn krachten
en diep gevoel den stempel ingedreven.

Met hooge goedheid loon ik 't laag verachten
der schepslen, die mijn liefdewet weerstreven.
'k Voel deernis met hun vreugde, met hun smachten,
want 't is toch mijn wil, dat ze aan de aarde kleven.

Mijn adem waait langs de ongemeten zeeën,
waait door het matelooze ruim der tijden,
van liefde zwanger, eindloos zwaar van weeën;

en 'k voel een klagen uit de onpeilbre verte
opstijgen tot mijn innig hoog verblijden,
- stem van 't Heelal ... stem van mijn eigen herte.

III

Mijn Godheid weeft het stevig rag der draden,
de onvoelbre draden, die mij-zelf omgeven.
Aan 't oude streven hangt het nieuwe streven,
op de oude daden stronklen nieuwe daden.

En hoop en liefde, wanhoop en versmaden,
't wordt tot éénzelfde keten saamgeweven.
Nauw buiten mij, tot eigen goed, gedreven,
zoek ik mij-zelven weer, met rouw beladen.

En 'k voel het rustloos in mijn eigen klossen,
het wentboutje, en 't net des levens spinnen,
het staalnet, waar me géén kan uit verlossen.

Mijn Godheid, tronend - o zoo stout - daarbinnen,
U smeek ik - 'k heb U de almacht toch geschonken -
den band te slaken door U-zelf geklonken.

IV

Mijne almacht is onmachtig. - Uit mijn hert
was kracht van trots ontstaan, die onmacht baarde.
Het beeft en schokt en brokkelt waar ik terd
in rood verlangen langs mijn zwenkende aard.

Wat ben ik? Wat is Schoonheid, Liefde, Smert?
O twijfel? 't Hoog gevoel van eigenwaarde,
en alles wat uit mij geboren werd
zinkt weer in 't Niet, dat droom noch Godheid spaarde.

Mijne almacht in 't stof! 't Heelal een logen!
en eeuwig Niet in 't hart, en zelfs geen pijn...

En voor den kouden, drogen blik der oogen,
de aarde en de menschen, zielloos als ze zijn!

Ik voel, o God, in deemoed neergebogen,
den zachten weemoed van uw verre schijn.


1892

[Prosper van Langendonck pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.