Uit Westerloo

De linden der Abdij van Tongerloo

Prosper van Langendonck

Aan der eerw. Heer Kannunik, Daems,
Dichter van "Luit en Fluit"

Sieraad en glorie dezer vlakke, kalme streken,
steunvaste en eeuwenoude wachters der abdij,
staan pal de linden, die in vrede of stormgetij,
geen voet, geen vingerbreed van hunne standplaats weken.

Wat hebben ze ál getrotst: - En toch de vogels kweeken
er, zingend, 't vinnig jong, springlevend als de Mei,
dat dra de vleuglen rept en 't nest ontschiet, om vrij
in 't jubelende lied wijdschaatrend los te breken.

Maar ziet gij daar niet plots hun breede kruinen nijgen
en breiden zij niet zacht hun takken zeegnend uit,
waar heimlijk gefluister schijnt door heen te zijgen?

't Is dat daar zinnend treedt - wat of dat weer beduidt? -
hun oude en immer jonge zanger, die hun twijgen
gaat roeren door het zoet akkoord van luit en fluit


[Uit Westerloo II: De zon] [Prosper van Langendonck pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.