Uit Westerloo

De zon

Prosper van Langendonck

De zon speelt door het loof der vorstelijke dreven,
die kruisen, heinde en verre om 't vorstelijk kasteel;
de zon valt blinkend neer op toren en kanteel;
de zon doet levend goud op de oude kruinen beven.

De zon is overal. - Om 't wisslend veldtafreel
verbreidt ze in een waaiend waas, uit zijde en licht geweven:
zij trilt in elk gezang; zij leeft in alle leven,
en leeft in ieder deeltje en leeft er toch geheel.

O zon, laat mij nog eens in al uw luister baden:
doordring mij gansch, dring door in 't diepste mijner ziel,
die brandend naar u haakte en toch in nacht verviel.

O laat me, u volgend langs de nooitbeteden paden,
waarheen zoo menig streefde en géén u volgen kon,
verteren in den gloed der goddelijke zon!


[Uit Westerloo I: De linder der abdij van Tongerloo] [Uit Westerloo III: Langs de Nethe [Prosper van Langendonck pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.