Uit Westerloo

Langs de Nethe

Prosper van Langendonck

Aan mijn vriend, Dr. Graevell

Lijzig rimplend vloeit de Nethe
door de diepe dennenwouden,
door de weiden, langs de dreven,
  in dit land van peis en vreê,
wouden, lanen, vee en hoeven,
slanke scherpgespitste torens
en den dunbewolkten hemel
  wentlend in heur rimpling meê.

Glijdende uchtendzonnestralen
zilvren fijn den lichten nevel,
traagzaam wuivend om het landschap
  als een sluier, maagdelijk blank;
en geen klank trilt in die stilte
dan, van verre - o ver! - gevaren,
slechts, bij poozen, halvling hoorbaar,
  een verdoofde torenklank.

Schoone droom! Hier, bij die Nethe,
zacht het hoofd ter ruste leggen
en verzinken in die diepe,
  blauwe en groene, oneindigheid...
niet meer denken, niet meer droomen,
niet gevoelen, niet beminnen,
zwaar van 't borlend sap der aarde,
  dat u loom in de aadren glijdt.

En met lijf en ziel vergroeien
in dat zielloos plantenleven;
onder sneeuw en ijs gedoken,
  slapen er, den winter rond,
om eens, door de lente ontzwachteld,
als een reus weer op te rijzen,
rijk van 't diep en krachtig leven
  van den milden moedergrond.


12-17 Oct. 1897

[Prosper van Langendonck pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.