Het koren! Nog het koren, zonder end! Geweldig brandend in het middaggloren, langs hoogte en vlakten, waar men keert of wendt, ééne onafzienbre zee van glinstrend koren! De lucht is vuur en vlam; geen adem stoeit door 't roerloos veld, dat zich in zongloed bakert, in grootschen zomerbrand, die gloeit en schroeit, en 't koren rijpt, in 't branden rijp geblakerd! Het koren! Nog het koren! o die geur! Dat ritslen van die aren langs mijn wangen! Die bonte wenteling van bloemenkleur! Die hitte, koeling voor mijn warm verlangen! O heel mijn jeugd, die door dees golven dringt in onvoldane drift, vanzelf gedragen door de aarde, de oude, trouwe, die weer springt, als 't staagbereden ros, in vreugdeslagen! 't Is koren, alles koren, waar ik schrijd! 'k Ben weer de zeen der wijde, vrije velden; geen wereld meer bestaat, geen ruimte of tijd, geen uur of grens, die perk op palen melden! Het blauw vervliet en 't gele goud vergaat àl in één eeuwigheid van eindloos gloren, één heerlijkheid, die door àl luchten slaat uit 't wonderstralend licht van 't glinstrend koren. Het koren, Lief! Het koren! Laat ons gaan en in dien blonden vloed ons ziel herdoopen. Die laaie vlam zal ook in 't harte ons slaan, heur warme tintling merg en peen doorloopen. Ons giet het veld zijn weelde en overvloed, in 't land, waar nooit de blauwe sferen tanen, en in dendaverenden middaggloed ontplooit de Zomer trots zijn glorievanen!
16 Juli 1900
[Wezembeek I: Naar de hoogte [Prosper van Langendonck pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan:
coster@dds.nl.