Twee Sonnetten

Daar glijdt de waterbloem...

Prosper van Langendonck

Daar glijdt de waterbloem, heur rank ontrezen,
langs 't dartlend beekje dat heur ginds moet leiden,
waar, reeds voor heur sinds eeuwen uitgelezen,
de zusterplant haar minnend zal verbeiden.

Zij werden door Gods wil verwekt, om beiden
slechts één te zijn in vrucht als één in wezen;
thans naakt het uur ter heimnis aangewezen;
een golf dringt tusschen haar; zij zijn gescheiden!

O kon die eenge stonde nog herleven!
Mocht nog die plantenschakel samengroeien,
werd ooit bekroond dat zoete liefde streven!
Acht! 't deinzend water zal niet opwaarts vloeien!
De liefdeband wordt nimmer vastgeweven:
geen spruit nog zal ontstaan, geen bloeme bloeien!


[Tweede Sonnet: Ik was aan u, gij waart aan mij...] [Prosper van Langendonck pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.