Ik was aan u, gij waart aan mij, wij waren elkander voorbestemd van den beginne; nooit mocht ge in 't leven smart of weelde ervaren die niet bij mij weertrilde in ziel en zinnen! Wij zagen nooit elkaar; met wondre snaren vereende ons onbewust verborgen minne; eens kwam de stonde dat bij 't liefdrijk paren ik eeuwge rust in zaligheid zou winnen. Wat booze geest kwam toen mijn hart beheeren? 'k Versmaadde koud de stemme van 't geweten, ontembaar kondend: "'t is de wil des Heeren!" O naar het euvel werd de straf gemeten! En vruchtloos poog ik 't noodlot te bezweren; helaas! vervlogen tijd kan nimmer keeren.
Nov. '88
[Eerste sonnet: Daar glijdt de waterbloem...] [Prosper van Langendonck pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan:
coster@dds.nl.