Dorpsbegrafenis

Prosper van Langendonck

Ter kerke, omdreund van doodsklokgalmen,
Rijst voor het heimvol hoogaltaar,
Waar wierook walmt en psalmen klinken,
Een zwartbefloerste doodenbaar.

Droef knielend om het lijk huns makkers,
Die 't werken staakte, vóór den tijd,
Herdroomen de ingetoogen boeren
Zijn rusteloozen levensstrijd.

Zijn' kindren, tot ter dood bevangen,
Ineengezonken van de smart,
Valt ieder vers der rouwgezangen
Gelijk een hamerslag op 't hart.

Wijl 't dies irae den bazuinklank
Der ijzingvolle tonen plangt,
Die merg en beenderen doorsiddert
En d'adem uit den boezem prangt.

Doch 't snerpend treurgezang vermildert
En spreekt, aan 't smeltend kinderhart,
Van balsem voor de diepste wonden,
Van hemeltroost in de aardsche smart;

En uit die zee van angst en lijden,
Wanhopig golvend af en aan,
Is hartversterkend, zielverheffend,
Een jubelzangtoon opgegaan:

"In Paradisum...", 't Hart verheldert,
Een weiflend licht schijnt neergedaald.
De kindren voelen 't, dat hun' vader
De paradijszon tegenstraalt.

Men draagt den doode buiten 't kerkje
De donkre grafkuil gaapt hem aan,
En de aarde breidt heure armen open
Voor hem, eens uit der aarde ontstaan.

Wie kende ooit hopeloozer stonde?
Daar ligt de waarheid, naar en bloot.
Geen schijn bedriegt, geen droom begoochelt;
't Zegt alles duidlijk: "dood is dood!"

De moed zinkt weg; de knieën knikken
En de oogen breken op den stond
Waar, van de draagbaar afgeschoven,
De doodkist neerdaalt in den grond.

O 't dof gebons der vallende aarde,
Weerschokkendin het broos gemoed! ...
O 't hooploos huilen van de kleinen,
Dat aller tranen vloeien doet! ...

De laatste bede wordt gesproken,
Een kruis op de effen terp gedrukt,
De moedloos neergezonken kindren
Van vaders grafsteê weggerukt.

En, op het treurig veld der dooden,
Waar meenge rouw ging overheen,
Blijft, thans verlaten, straks vergeten,
De moede werker nu alleen.

En zie, 't is lente! - Nevens 't kerkhof
Ligt de akker glanzend in 't verschiet,
Waar 't door zijn hand gezaaide koren
Reeds welig door de kleien schiet.

Daar was het eng tooneel zijns levens.
Daar heeft zijn zweet, als uit de lucht
De dauw des hemels, mild gedroppeld,
Den erfelijken grond bevrucht.

Bij morgenrood en avondschemer
Is daar, al zwoegend, immeraan
Den akker liefderijk omvangend,
Zijn lange schaduw rondgegaan.

En 't koren dat hij zelf er zaaide,
Een andre zal het rijpen zien;
Een andre zal de sikkel zwaaien
Op 't maatgezang der arbeidsliên.

Toch zal hij sluimren zacht en droomen,
Bij 't wiegend reuzelen van het graan.
Zijn geest nog zal het werk bestieren,
Zijn adem over d'akker gaan;

En dubbel zalig zal hij wezen
Zoo de aarde, met zijn zweet gedrenkt,
Zijn' kindren lief heur wondre schatten
Met moederlijke mildheid schenkt.


1890

[Prosper van Langendonck pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.