De jachthoorn

Prosper van Langendonck

Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?

O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toetin 't langgerekt getoet.

Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle toen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.


1901

[Klad versie van de jagershoorn] [Prosper van Langendonck pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.