Beatrice

Prosper van Langendonck

O gij, die 'k eindlijk mocht in de armen prangen,
  verschenen in mijn nacht, uit 't onbekende,
niet in de vorm van 't brandende verlangen,
  maar eedler nog, daar toch het lot nu wendde
en God zelf oordeelde wat mocht ontberen
het onvolkomen beeld van 't menschelijk begeeren;

o eindloos reine en goede die, naast mij,
  dees ziele mijn helpt redden uit den nood,
  waarin geen arm nog steun en leuning bood,
geen klank nog luidde uit de eeuwig' harmonij; -
  wind om mijn wezen, wentlend uit dien dood,
de fijne teerheid van uw vrouwlijk medelij.

Want u bemin ik met zoo zachten zin
  en met zoo vasten wil, dat niets verbreekt
  dien band van fijn en stevig staal; mij spreekt
in ijdel woorden niet de taal der min
  maar in den reinen vloed van 't puur gezang
  het hart ontlastend van wat drukte jarenlang.

Geen daad, geen woord, hoe zonderling in schijn,
  die ooit het wezen dezer liefde schendt;
't geloof, 't vertrouwen in heur godlijk zijn
  blijve u en mij ondeelbaar ingeprent;
geloof in mij, 'k vertrouw in u; - mijn ziel
vangt op, als godentaal, wat van u lippen viel!

Genot bindt niet voor immer; lichaamspracht
  verdonkert staag voor eedler zieleglans;
  mijn geest omhult u met den stralenkrans
door kunstnaars slechts aan heilgen toebedacht.
  Uw zachte glorie glijdt om mij en windt
  mij in heur helder licht, - en lange nacht verzwindt.


28 Juni 1902

[Prosper van Langendonck pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.