Uit Westerloo

Prosper van Langendonck

Hoe lief dat huisje met zijn strooien daken,
omringd van houtmijt, schadde- en korentas,
rondom beschut voor wind of zonneblaken
door struik- en boomgewas.

Om groene luiken rankt de frissche wingerd,
waar tros op tros zich loswindt uit het loof,
dat in festoenen langs de gevels slingert
en hangt uit spleet en kloof.

De speelschgezinde zon richt door de blaren
heur straal langs muur op ruit en mullig pad:
zacht komt, bij poozen een geruisch gevaren,
dat gaat van blad tot blad, -

en op dit ruischen komt de geur gevaren
van hars en heikruid en lupineblom
dien 't koeltje voert op struik en wingerdblaren
de stille woning om ...

Hoog uit de lucht daalt, in een tonenregen,
klaar paarlend lerkgezang en, t' eener stond,
schiet hel een meisjesstem den vogel tegen
en klinkt de velden rond.


19 Sept. 1902

[Prosper van Langendonck pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.