Herinnering

(Van Verrewinkel naar Ukkel)

Prosper van Langendonck

Wij stappen, over smalle paden
  langs hel- en delling kronklend, voort
  naar 't immer ons ontvliedend oord,
ginds verre in 't scheemrig blauw aan 't baden,
  door speelschen horizon geboord...
Los parelen en jubelzangen
der lerken, die daar ievers hangen,
  onzichtbaar in de felle lucht,
en van de heuvlen in de dalen
vloeit 't zuiver vuur der zonnestralen...
  Geen bladgeruisch... geen windgezucht...

Het Brabantsch veld ligt mild te zwellen,
  met vracht van schatten overlaân;
  de tarwe rijpt, de gerst komt aan,
de haver schudt haar fijne bellen;
  en vastgevoed en blinkend staan
ten strijde, in 't dal, de korenaren,
wier blonde en gouden legerscharen,
  vol waaiend blauw en spikklen bloeds,
in 't geel gelid den rug bestijgen
der heuvlen, die zichtbaar neigen
  van 't rijk geweld des overvloeds...

Lauw voelen we eindlijk d'avond dalen;
  der boomen schaduw rekt zich uit
  en over 's landmans rijken buit
vergloeit de zon in schuine stralen,
  dauw sprenkelend op gras en kruid;
in gouden gloed ter kim gezegen,
hult ze al dien luister, al dien zegen
  in haren warmen afscheidsgroet...
- En zwijgend gaan we, en ingetogen,
met al dien rijkdom in onze oogen
  en al dien rijkdom in 't gemoed.


29 Maart 1908

[Prosper van Langendonck pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.