Sebald Jean Everard Rau (1801-1887)
Nacht
’t Gestarnt’, dat de avond wekte in ’t Zuiden
Is reeds in ’t spieg’lend meer gezwicht.
De maan onthult haar kwijnend licht;
En drinkt den balsemgeur der kruiden.
De nacht, reeds half voorbijgesneld,
Heeft aller scheps’len oog geloken.
De tortel rust, in ’t nest gedoken;
De leeuwerik bij zijn gade in ’t veld.
Zijn streelend wiekje omschut de leden
Van haar, wier blijd ontwaakte goed
Weldra de scheemring met hem groet,
In ’t zoet van ’t oogenblik tevreden.
’k Gevoel me alleen: geen sluim’ring houdt
Die blikken, die aan ’s hemels bogen
De starren volgen. t ’Hart, bedrogen
Door de aarde, zoekt waar ’t zich vertrouwt.
Waar ’t lieflijk doel van ons verlangen
Niet als ’t gevleugeld droombeeld wijkt:
Waar ’t zwevend weefsel niet bezwijkt,
Waaraan de moede ziel bleef hangen.
Waar, die wij minden, heengevloôn,
Gaan treên langs eeuw’ge levensvlieten,
En hemelzaligheên genieten,
Terwijl wij weenen om de doôn.
Waar, mooglijk uit uw reine vrede
Gij, die me eens liefhadt, nederziet,
En fluistrend mij een troostwoord biedt
Op mijn verlaten legerstede.
Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam
E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl
Laatste wijziging: 08-sep-96