Laurens Reael (1583-1637)


MAEGHDE-KLACHT

Linde lommer wilt vry melden
Als mijn Herder hier eens rust,
Ick uw blaetjes heb gekust.
Klapt vry bloemtjes deser velden,
't Geen ick hier aen u beken:
Ick mijn Herders eygen ben.

Als sijn lammertjes hier grasen,
Op uw korte soete gras,
Seght hem ick 'er oock eens was,
Om mijn lieve lust te asen;
Seght, terwijl sy knabb'len soet,
Ick hem vlecht' een Roosenhoet

Roosen waren mijn gedachten,
Die ick met mijn hair bewon,
Toen de stralen van de Son
My de kleenste hitte braghten,
Als mijn suchjes drongen voort,
Sonder dat ick sprack een woort.

Doch de traentjes van mijn oogen
Borsten uyt door liefds geweldt,
Rollend' langhs 't begraesde veldt,
En soo nae mijn Herder vlogen,
Doen mijn kransje was gereedt,
Dat aen hem wel was besteedt.

Moght ick nu mijn krans van Roosen
Stellen op zijn lieflijck hooft,
Dan sou 't immers zijn gelooft,
Dat ick d'Herder heb verkoosen;
En of 't niemandt loven wou,
Met mijn mondt ick 't zeeglen sou.

Als mijn lief sijn vee gaet weyen,
En hy op sijn rietje fluyt,
Andre weymans komen uyt.
Kan ick laes mijn lust niet peyen?
Doch 't en waer uyt loutre schaemt,
'k Sey wat meer dan my betaemt.

Herder doet gy my niet krijgen
Daer ik langh naer heb gewacht,
Soo sal tonge noch gedacht'
Qualijck langer konnen swijgen.
Wy verkiesen alsoo wel
Als een Herder of gesel.

Dickmaels wensch ick my verandert,
In een lam of geytje teer;
Want dan sou mijn waerde Heer
My oock streelen neffens d'ander,
Als hy doet sijn lieve vee.
'k Wensch my in 't geselschap me.

Lieve vee, gedooght mijn quellen,
Klapt als ghy een Herder siet,
Schaduw klaegt hem mijn verdriet,
Boomen wilt het hem vertellen;
Liever ick hem selver spraeck,
Daer ick arme wicht nae haeck.

Windt, die al 't geboomt doet drillen,
Seght hem wat ghy hebt gehoort,
Alles vry van woordt tot woordt;
Op dat hy mijn klaght magh stillen,
Ruyscht met sulcken soeten toon,
Dat ick werliefd krijgh tot loon.


Bron: Spiegel van de Nederlandsche Poëzie door alle eeuwen (1939)

Ingezonden door: rudolpho@euronet.nl