Jacobus Revius (Jakob Reefsen) 1586-1658

Antwoorde des Conincx

Princesse, die mijn hert gevangen hadt genomen
En doe het bloessemen, en doe het vruchten droech,
Gelooft my, 'tis te veel, of eenmael al genoech
Om mynentwil gestort der tranen heete stromen.
De uyr die ic nooit plach te wenschen noch te schromen
My comende van God en comt my niet te vroech.
Want, doe ick daer benee'n mijn oogen nedersloech
Heb ickse opgedaen int erve aller vromen.
Den dach die my de laetst was in het jammer-dal
Is hier den eersten, daer geen leste wesen sal.
Wat soeckty? dat ick, die den hemel heb verworven,
Ter aerden, ja weerom ter hellen my begeef?
Of vreesdy dat ick hier niet blydelijcker leef?
Ah! leefdet ghy soo wis als ick niet ben gestorven!


Bron: Spiegel van de Nederlandse poëzie door alle eeuwen / Victor
E. van Vriesland. - Amsterdam : De Spieghel, 1940

Coster-pagina